zondag 13 december 2009

Arendt en Hegel

Referentie:

Tsao, Roy T., “Arendt and the Modern State:Variations On Hegel in The Origins of Totalitarianism”, The review of politics 2004, University of Notre Dame, p. 106-136

Plaatskenmerk:

Eigen bibliotheek / Mijn computer

Extract:

“Like Hegel, Arendt believes that the basic challenge confronted by the modern state in sustaining its people’s allegiance to a single political community lies in the conflicting, particularistic interests that arise with the emergence of a market-oriented, “bourgeois” society. With more than a century’s hindsight, Arendt takes a different, and darker, view of the forms those conflicting interests had taken. Even so, her account of the syndromes of political alienation that resulted from the European state’s historical failure to contain and surmount those conflicts may be regarded as an imaginative extension of the underlying concerns that had led Hegel to lay great stress on the socially integrative function of political institutions. The consonance between Arendt’s arguments and Hegel’s is no less striking with respect to her claims about the state’s still more fundamental function of sustaining a rightsbased legal order. Like Hegel, Arendt holds that the reciprocal recognition of rights among the citizens of legally constituted political community is an indispensable condition for an individual’s attainment of full human agency, so much so that a life spent outside such a community is in a sense not fully human.”
p. 108
(HEUR-STAP 2: een artikel via Philosopher's index)

Commentaar:

Arendt heeft Hegel nooit genoemd als inspirator voor haar denken. Integendeel, zij denkt dat de historische Zeitgeist-theorie niet van toepassing is wanneer we het totalitarisme willen begrijpen: deze neutraliseert het begrip immers en plaatst het definitief in het verleden.
Volgens Taso zijn er in Arendt’s ideeën over totalitarisme toch parallellen met Hegels’ denken over de staat. Arendt zag het totalitarisme als de ultieme antithese van de moderniteit, niet als haar vervulling. Hegel voorzag een gelijkaardige evolutie naar een moderne éénpartijstaat, maar trok hier minder grimmige conclusies uit dan Arendt. De politieke vervreemding die volgde uit het falen van de Europese staten, had Hegel voorspeld en zou later een centrale plaats innemen in de marxistische analyse.
Daarnaast zijn er parallellen tussen het denken van Arendt en Hegel wat betreft de functie van de staat: beiden meenden dat de voorwaarden voor het mens zijn beschermd worden door de staat. We zien hier een derde parallel met Rousseau en zijn idee over het individu dat beschermd wordt door de staat. Toch heb ik moeite met het uitgangspunt van de auteur. Zuiver conceptueel kunnen we deze parallellen maken. Maar het Hegeliaanse absolute geloof in de afwikkeling van de geschiedenis ligt ten eerste aan de basis van het marxisme, en Marx’ visioen van eeuwige gelijkheid heeft indirect mee geleid tot de Oktoberrevolutie en de communistische machtsovername, en dit systeem heeft Stalin voortgebracht. Denken we weer aan Claude Leforte: de USSR was geen “vergissing van Columbus”, het was de exacte belichaming van het leninistische ideaal. Ten tweede moeten we voorzichtig zijn om het totalitarisme te omschrijven als “antithese van”, omdat dit veronderstelt dat het totalitarisme ontstond als tegenbeweging op de moderniteit, maar niets is minder waar. Een tweede gevaar van het gebruik van deze analytische terminologie is dat we voorbijgaan aan de typering van het Nieuwe Radicale Kwaad dat het totalitarisme belichaamde en het rationaliseren als een regime dat noodzakelijkerwijs voortkwam uit Europa’s politieke geschiedenis. Tenslotte impliceert deze veronderstelling dat het totalitaire regime de logische volgende stap was in de geschiedenis. Niets is minder waar: na de Oktoberrevolutie lag de manifestatie van een werkelijke objectieve gelijkheid binnen handbereik: de machtshebbers hebben jammerlijk de verkeerde richting gekozen. Daarom is het totalitarisme geen gefaalde utopie, wel een bewust gemiste kans.

zaterdag 12 december 2009

De schaamte van Günter Grass

Referentie:

Thijs, Krijn, "Günter Grass en de Waffen SS, Duitsland Web 15.08.2006,
http://www.duitslandweb.nl/actueel/uitgelicht/2006/8/Opinie+G+nter+Grass+en+de+Waffen+SS.html (geraadpleegd op 07.12.2009)

Plaatskenmerk:

duitslandweb.nl

Extract:

"Kohls argumenten dat de gevallen Waffen-SS’ers veelal onschuldige jonge dienstplichtigen geweest waren, werden weggehoond door zijn critici. Tot deze critici behoorde destijds ook Günter Grass. Waarom heeft hij de verharde morele fronten van destijds niet losgeweekt met een bekentenis dat ook hij in Bitburg had kunnen liggen? Het is deze tegenstelling tussen Grass’ absolute moralisme in eerdere jaren en nu het bericht van zijn eigen zwijgen die velen in het verkeerde keelgat schiet. Vanuit zijn eigen biografie had Grass meer begrip voor de ambivalenties van de geschiedenis moeten opbrengen. [...] Niet zo zeer zijn lidmaatschap van de Waffen-SS, maar vooral zijn lange zwijgen heeft hem van zijn geloofwaardigheid beroofd. Grass kan voortaan niet meer als morele autoriteit over (de omgang met) het nationaalsocialisme oordelen. "

Commentaar:

Günter Grass bekende in zijn memoires " De Rokken van de Ui" dat hij zelf lid was geweest van de Hitlerjugend, en in de laatste maanden van de oorlog zich vrijwillig heeft aangemeld voor de Waffen-SS. Dit veroorzaakte in de Duitse media een enorme heisa: niet zozeer dat Grass het SS-uniform gedragen heeft, is de oorzaak van verontwaardiging, aangezien wel meer Duitse jongens zijn ingezet toen Hitler geen strijdkrachten meer had, en hen wenig te verwijten valt. Van vele voorpagina's sprong echter de vraag 'Waarom nu pas?'. Hoe heeft Grass dit voor zovele jaren kunnen verzwijgen, terwijl hij het geweten van Duitsland speelde en stelde dat de Duitsers hun verleden niet mochten vergeten? Het is bepaald niet zo dat Grass het min of meer vergeten was, of er het belang niet van in zag – uitdrukkelijk geeft hij toe dat deze zaak hem zestig jaar zwaar op de maag lag. Waarom heeft hij dan tientallen anderen hun verdringen verweten, en zweeg hij in het publieke debat wanneer Kohl ook de gevallen SS'ers van Bitburg wou eren met een bloemenkrans op hun graf? Heidegger heeft zijn misstap tenminste toegegeven, en deed er verder m.b.t. het naziregime hoofdzakelijk het zwijgen toe.

Plato en de Koning-Krijger-Filosoof

Referentie:

Plato, The Republic, With an English Translation by Paul Shorey, Ph.D, LL.D, LITT. D., vol II, London : William Heinemann LTD, 1935

Plaatskenmerk:

MAG OW-A 18775:2

Extract:

“’Very good. We are agreed then, Glaucon, that the state which is to achieve the height of good government must have community of wives and children and all education, and also that the pursuits of men and women must be the same in peace and war, and that the rulers or kings over them are to be those who have approved themselves the best in both war and philosophy.’’We are agreed’, he said.”(dl. 1) p. 235, hfdst I BOOK VIII
“’And indeed,’ said he, “I am eager myself to hear what four forms of government you meant.’ ‘There will be no difficulty about that,’ said I. ‘For those I mean are precisely those that have names in common usage: that which the many praise, your Cretan and Spartan constitution; and the second in place and in honour, that which is called oligarchy, a constitution teeming with many ills, and its sequent counterpart and opponent, democracy; and then the noble tyranny surpassing them all; the fourth and final malady of a state. Can you mention any other type of government, I mean any other that constitutes a distinct species?”
(dl. 2) p. 239, hfdst I BOOK VIII
(HEUR-STAP 4: een boek gevonden via de bibliografie van een gezaghebbend artikel)

Commentaar:

Het eerste deel van dit extract toont Plato’s dubbelzinnige houding t.o.v. de figuur van de filosoof: hij moet zijn leven volledig wijden aan het schouwen, en heeft dus een wereldvreemde houding tegenover de werkelijkheid. Toch is hij het die het meest gekwalificeerd is om te heersen én om te beslissen over oorlog. Hoe moeten we figuur van de wereldvreemde filosoof en de handelende krijger verenigen? Plato ziet dit alles als deel van het denken: handelen bestaat voor Plato enkel in de zin van menselijke arbeid. We vinden echter geen antwoord op de vraag hoe de filosoof dit zou verwerkelijken, enkel dat hij voor deze taak het meest geschikt is.
Het tweede deel toont dat Karl Popper misschien toch bepaalde argumenten over het hoofd heeft gezien bij zijn oordeel over Plato. De tirannie wordt in dit fragment immers omschreven als een kwaal, de slechtste van de vier bestaande Griekse staatsvormen (de staatsvormen van de barbaren worden hier als vreemd verworpen). De democratie wordt hoger geacht dan het falende concept van de oligarchie. In deze zin doelt Plato met zijn Ideale Staat allesbehalve op een dictatuur. Toch valt het op dat hij de burgers van de Staat zag als invulbaar en corrigeerbaar, in die zin geloofde hij in een soort van sociale reconstructie. Plato stoort zich er aan dat er nog meer verschillende menselijke karakters met verschillende meningen bestaan dan er regeringsvormen zijn. In die karakters maakt hij ook een onderscheid tussen hogere en lagere types, en plaats hij aristocraten bovenaan deze ladder. In zekere zin ijvert Plato ervoor dat bepaalde klassen homogener zouden moeten zijn.
Toch mogen we voor we oordelen over deze associaties niet de context van de dialoog uit het oog verliezen: het gaat hier om een gesprek waarin hypotheses van een staat beredeneerd worden. Vanuit Plato’s puur denkende positie kunnen we geen van deze ideeën interpreteren als van toepassing op onze wereld. We zien hier wel de scherpe tegenstelling met Arendt’s idee dat de politiek onderdeel is van het handelen, een handelen dat zij bovendien onderscheidt, zowel van de poesis als van het arbeiden. Dit veronderstelt eveneens dat in de reële wereld denken en handelen samengaan en interageren, iets wat Plato net lijkt tegen te spreken. Hoe kunnen we echter spreken over het bestuur van een staat zonder een handelen dat voortkomt uit het denken, m.a.w.: als in het arbeiden weerspiegeld moet zijn wat het denken goed acht, waar is dan de brug tussen wetgeving en uitvoeren? Hoe kan de burger weten wat de heerser wil?


vrijdag 11 december 2009

Arendt over het radicale kwaad

Referentie:


Bernstein, Richard J, “The Origins of Totalitarianism: Not History, but Politics”, SOCIAL RESEARCH, Vol. 69, No. 2 (Summer 2002), p. 381-401

Plaatskenmerk:


Eigen bibliotheek / Mijn computer

Extract:


“When Arendt explores the connection between radical evil and the phenomenon of superfluousness, she warns us that fanatics believe in their own superfluousness. They are committed to a movement that transcends the life or death of any individual. This is why she thought that the appeal to conventional utilitarian categories or appeals to common sense were completely inadequate to account for the phenomenon of radical evil. Even more important, although Arendt thought that the problem of evil was the major intellectual problem after the Second World War, and returned over and over again to explore the intricacies of both radical evil and the banality of evil, she also warned how dangerous the concept of evil is when it enters into politics and political discourse. Politics requires judgment, discrimination, and compromise. But "evil" has an absolutistic aura. When used to demonize an enemy, it allows for no compromise. The only response to evil is to eradicate and destroy it. It is frightening the way in which the emotional and rhetorical appeal to "evil" is now being used to manipulate public policy. » p. 386
(HEUR-STAP 2: artikel gevonden via Swetswise)

Commentaar:


Arendt waarschuwt voor een onjuist gebruik van het concept “evil” in de politiek. Wanneer een gemeenschappelijke vijand aangeduid wordt als “het Kwaad”, heiligt het doel alle middelen  om deze te bestrijden. Vanuit dit standpunt is Noam Chomsky’s omschrijving van de regering Bush als een “crypto-fascistisch regime” adequaat. Het idee van een “axis of evil” legitimeerde deze regering om Irak en Afghanistan binnen te vallen, veel meer dan het nooit bevestigde vermoeden dat deze landen achter de aanslagen van 9/11 zaten. Het is in zekere zin hetzelfde propagandistische concept waarmee de nazi’s de joden demoniseerden.

Vrijheid en pluraliteit als voorwaarden voor een democratische maatschappij

Referentie:


Passerin d’Entreves, Maurizio, “Hannah Arendt”, Stanford Encyclopedia, http://www.science.uva.nl/~seop/entries/arendt/(geraadpleegd op 26.11.2009)

Plaatskenmerk:


plato.stanford.edu

Extract:


The two central features of action are freedom and plurality. By freedom Arendt does not mean the ability to choose among a set of possible alternatives (the freedom of choice so dear to the liberal tradition) or the faculty of liberum arbitrium which, according to Christian doctrine, was given to us by God. Rather, by freedom Arendt means the capacity to begin, to start something new, to do the unexpected, with which all human beings are endowed by virtue of being born. Action as the realization of freedom is therefore rooted in natality, in the fact that each birth represents a new beginning and the introduction of novelty in the world.”(dl.1)
Plurality, to which we may now turn, is the other central feature of action. For if to act means to take the initiative, to introduce the novum and the unexpected into the world, it also means that it is not something that can be done in isolation from others, that is, independently of the presence of a plurality of actors who from their different perspectives can judge the quality of what is being enacted. In this respect action needs plurality in the same way that performance artists need an audience; without the presence and acknowledgment of others, action would cease to be a meaningful activity. Action, to the extent that it requires appearing in public, making oneself known through words and deeds, and eliciting the consent of others, can only exist in a context defined by plurality.”(dl.2)

Commentaar:

Maurizio Passerin d’Entreves verklaart hier kort de begrippen vrijheid en pluraliteit, die een belangrijke plaats innemen in het oeuvre van Arendt. Vrijheid is bij Arendt slechts mogelijk wanneer ze gerealiseerd wordt door actie, waardoor iets nieuws, zoals bv een eigen initiatief, een plaats krijgt in de wereld. Deze actie als begrip is geworteld in de geboorte van een nieuw begin. Verder zijn vrijheid en pluraliteit onlosmakelijk met elkaar verbonden.  Actie kan maar betekenisvol zijn als datgene wat gedaan wordt, gezien en erkend wordt door derden. Een optreden zonder toeschouwers heeft geen enkele betekenis: zo kan men woorden en daden slechts confronteren met de ideeën en handelingen van anderen in een context van pluraliteit. Arendt introduceerde hiermee een nieuw begrip van handelen in het twintigste-eeuwse denken: zij onderscheidt praxis (handelen) van poeiesis (maken). Handelen is een manier van samen-zijn: democratie is voor haar dan ook een kwestie van participatie. Verzet is dan ook slechts mogelijk in een maatschappij waar er toegang is tot de dialoog. Hoewel ondergronds en in gevaarlijke omstandigheden: toch vinden verzetslieden elkaar en kunnen ze van gedachten wisselen, al is het met gevaar voor eigen leven. Bemerken we hier weer een belangrijk onderscheid tussen de tirannie en het totalitarisme. In een tirannie is er nog steeds plaats voor dialoog in de privé-sfeer. In een totalitair regime moet men ook zijn familieleden, vrienden en buren vrezen.

donderdag 10 december 2009

Claude Lefort en het onderscheid tussen totalitarisme en populisme

Referentie:


Abts, Koen, Rummens, Stefan, « Populism versus democracy », POLITICAL STUDIES, 2007 VOL 55, p. 405–424

Plaatskenmerk:

Eigen bibliotheek / Mijn computer

Extract:


« One obvious objection to our identification of populism with the closure of the empty place of power relates to the work of Lefort himself. Lefort, indeed, takes this closure as the starting point for his analysis of totalitarianism and not of populism. This is not a surprise, since he developed his work on democracy mainly in view of a critical analysis of post-war communist totalitarianism. In response, we agree that the fictitious image of the people-as-one is a defining characteristic that populism shares with totalitarianism.We accept, therefore, that in our analysis populism appears as a proto-totalitarian logic and we will briefly indicate some of the consequences of this affinity in our concluding remarks.
Nevertheless, we also believe that the semantic collapse of populism and totalitarianism can and should be avoided. The crucial difference between the two is that populism still respects the differences between the political domain and other domains such as the economy, law, education or culture.Totalitarianism, on the other hand, involves a project of homogenization of the people-as-one that encompasses the whole of society. In order to take this difference into account, we will therefore assume, as an additional element in our definition of populism, that populism respects the autonomy of the political sphere and restricts its attempts at a homogenization of the people accordingly.”
p.414
(HEUR-STAP 4: een artikel over het thema gevonden via de bibliografie van een gezaghebbend boek of artikel)


Commentaar:


Arendt sprak over het ontstaan van het totalitarisme als een proces waarin verschillende elementen als antisemitisme en imperalisme uitkristalliseerden tot een nieuw politiek regime. Dit proces werd versneld en gestuurd door enkele catalysators: de grote werkloosheid in Duitsland en de frustraties van WO I die nooit verdwenen waren, hebben Hitler mee in het zadel geholpen. Hoewel we momenteel niet zulk een zware recessie beleven als in de jaren ’30, zijn sommige elementen ook nu aanwezig. Het geloof in het huidige systeem en de politiek hebben een stevige knauw gekregen, we beleven een populistische politiek en bepaalde linkse denkers demoniseren openlijk de islam. Zijn dit indicatoren van de mogelijkheid van een nieuw totalitarisme? De auteurs van dit verhelderende artikel waarschuwen ervoor populisme en totalitarisme te vergelijken. Al halen politici als De Winter en Dedecker hun voordeel uit het beeld van een unitair volk tegenover een kleine basis van zakkenvullers en postjespakkers, toch ambieren ze geen overname van alle sociale en economische domeinen door de politiek. Ook al hebben hun ideeën grote invloed op de werking van onze democratie, ze kunnen er ook niet buiten. Populisten respecteren de politiek, al getuigt hun retoriek hier niet altijd van. Dat betekent niet dat duister populisme volledig onschadelijk is: ook al heeft Vlaams Belang nooit een politiek mandaat verworven, toch bepalen zij mee hoe we denken over deze maatschappij, en slaan deze ideeën des te meer aan bij laaggeschoolden die zich gepasseerd voelen in een liberale prestatiemaatschappij.

Pleidooi voor populisme

Referentie:


Van Reybrouck, David, Pleidooi voor populisme. Amsterdam: Querido, 2008. 79 p.

Plaatskenmerk:

MAG-OW-B 55774

Extract:


“Vermits een democratische samenleving een open samenleving is waarin telkens nieuwe vragen naar een oplossing verlangen, kan en mag de plaats van de macht nooit definitief ingevuld worden. Het openhouden van politieke macht garandeert de democratische openheid van de samenleving.
Voor de populist hoeft de troon echter niet vacant te blijven. Integendeel, hij wil er het liefst het volk op zien zetelen, het eenduidige volk waarvan hij de spreekbuis is. Hij weet het volk wil, en dat moet volstaan. Daardoor duldt hij geen tegenspraak, daardoor heeft hij een gloeiende hekel aan het debat. Het parlement, de grondwet, de gebruikelijke democratische procedures zijn voor hem eerder hindernissen dan politieke verworvenheden. In die betekenis is populisme in wezen antidemocratisch en antiparlementair; sommigen spreken zelfs van ‘proto-totalitair’. Dit duistere populisme miskent het wezen van de democratie, miskent het bestaan van uiteenlopende belangen binnen een en dezelfde samenleving en weigert te geloven dat onder de noemer van ‘het volk’ altijd diverse en onverzoenbare tegenstellingen schuilgaan.’
p.13
(HEUR-STAP 3: een boek over het thema gevonden via de UA-catalogus)

Commentaar:


Van Reybrouck onderzoekt in dit boek het hedendaagse populisme en brengt de verontrustende maatschappelijke oorzaken in kaart van het duistere populisme. Misschien zijn de gronden waarop populisten de democratie verwerpen, vergelijkbaar met Plato’s motieven om het heersen over te laten aan de filosofen. Waarom rekening houden met tergend trage democratische procedures, als we weten wat het beste is voor het volk? We moeten het volk leiden naar het Goede, en uiteraard weten we wat het beste is voor “het volk”. Dit veronderstelt echter een homogeen “volk”, waarbinnen geen uiteenlopende meningen of belangen kunnen bestaan. Alle Vlamingen vinden flitspalen hinderlijk, dus alle Vlamingen vinden snelheidsbeperkingen nutteloos. Deze logiciteit miskent de fundamenten van de democratie en reduceert de idee van “het volk” tot een monistische entiteit: in deze zin kunnen we populisme met recht ‘proto-totalitair’ noemen. Eén van de moeilijkste opdrachten van de democratie is haar te verdedigen in het volle besef dat sommige spanningen nooit opgelost kunnen worden. Dit zijn echter spanningen die we moeten verduren, willen we niet afgesneden worden van de principes van vrijheid en pluraliteit. Toch zijn er ook aan onze diplomademocratie (een term van Mark Bovens) minder democratische kantjes: zo bestaat het parlement bijna uitsluitend uit hoogopgeleiden en voelen laagopgeleiden zich met recht gepasseerd wanneer het over politiek gaat: hun verzuchtingen worden immers al snel afgedaan als niet relevant voor het hedendaagse politieke verhaal. Vanuit Arendt’s begrip van actie is het handelen van onze politici niet volledig democratisch geldig, aangezien zij hun stellingen in het parlement enkel hoeven te verantwoorden aan hoogopgeleiden doordat laaggeschoolden in ons parlement zeer beperkt gerepresenteerd worden.

Rousseau en de dualistische verhouding van individu en staat

Referentie:


Nisbet, Robert A., « Rousseau and Totalitarianism », The Journal of Politics, Vol. 5, No. 2 (May, 1943), p. 93-114

Plaatskenmerk:

Eigen bibliotheek / mijn computer

Extract:


“So long as our vision of the Bolshevist and National Socialist states is restricted to their absolutist, non-parliamentary forms of government, the significance of Rousseau is obscured. It is in his theory of society, and in his conception of the relationship between society and the state, that we may see the germs of the philosophy underlying the modern mass-state. Granted that Rousseau's ideal was pure democracy in the realm of the political order, the social consequences of his theory of the state are nonetheless as drastic as those of any modern totalitarian philosopher. It was the achievement of Rousseau to popularize the state, to make it the all-in-all, and, in the process, to atomize the traditional forms of society which fall outside the pale of the pure state.”
p. 97
(HEUR-STAP 2: een artikel gevonden via JSTOR)


Commentaar:


Robert A. Nisbet stelt in deze publicatie de vraag of Rousseau mee de verantwoordelijkheid draagt voor de conceptuele popularisering van de totale Staat. Niet de idee zelf van een zuivere democratie, maar de drastische sociale gevolgen van deze theorie indiceren haar status als antecedent van de totalitaire ideologie. Rousseau’s radicale individualisme kwam voort uit een haat tegenover elke soort van maatschappij. Zijn ideaal van individuele vrijheid impliceert echter geen immuniteit voor controle van de staat, wel voor maatschappelijke onderdrukking. De natuurlijke toestand van de mens is er een van isolatie: elke maatschappelijke binding die hem uit dit isolement verwijdert degenereert het individu. De staat emancipeert het individu en is noodzakelijk om de mens te vrijwaren van de verplichtingen t.o.v. de tirannieke maatschappij. De gedachte dat de staat het individu enkel van zichzelf afhankelijk maakt en het individu tegen zichzelf beschermt, maakt van de staat de essentie van het potentiële zijn van de mens. Dit verleent de staat absolute heerschappij, aangezien het de individualiteit van de mens garandeert.
Conceptueel gezien is dit een geldige veronderstelling. Het is mij echter niet duidelijk of Rousseau het individu wilde afsnijden van de maatschappij, zoals de massamens in het totalitarisme wordt afgesneden van de dialoog. De massamens heeft geen maatschappelijke waarde, maar is zeker niet vrij van restricties en onderdrukking. 

Beeldpost: poging tot verbeteren van de idee in een cover

Referentie


Arendt, Hannah, Totalitarisme, Nederlandse vertaling door Dirk De Schutter en Remi Peeters. Amsterdam: Boom, 2005, 440 p. / Eigen werk

Plaatskenmerk:

Mijn computer

Extract:



Commentaar:


Tijdens mijn eerste studie Illustratieve Vormgeving was één van de opdrachten voor grafisch ontwerp om een bestaande boekcover te verbeteren. Welaan dan, laten we deze oefening hernemen en toepassen op de cover van de Nederlandse vertaling van Totalitarisme. Het coverbeeld illustreert hier immers het misverstand dat Arendt ten allen prijze wilde vermijden. De foto toont het achterhoofd van een SS’er, we zien hier dus een individu. Als we de titel er bij zien zou deze foto dus moeten verwijzen naar het totalitarisme an sich. Niets is echter minder waar: we zien hier een tiran, niét het totalitaire systeem. Bekijken we daarnaast mijn bescheiden vormoefening: een collage uit oude tijdschriften. Uiteraard is het kollosale in beide covers aanwezig. Mijns inziens wordt het totalitaire systeem als zodanig, waarin het individu volledig geisoleerd wordt, hier duidelijker verbeeld. Bekijken we nogmaals de echte cover: als we hieruit moeten afleiden dat déze SS’er het totalitaire regime illustreert, impliceert dit dat de verantwoordelijkheid voor Auschwitz bij déze SS’er ligt. Waarschijnlijk verwijst dit hoofd niet enkel naar hém maar naar de hele SS, of het hele totalitaire staatsapparaat. Zelfs dan wordt de verantwoordelijkheid afgeschoven naar één regime, dat we hopelijk nooit meer terugzien.
Koppelen we deze gedachte aan het argument van Prins over de noodzakelijke afwikkeling van de geschiedenis, dan lijkt dit argument al helemaal ongeldig. Hoe kunnen we immers beweren dat het totalitarisme geen eenmalig fenomeen is, maar een exces van de tirannie, en tegelijkertijd volhouden dat dit regime voor altijd tot de duistere krochten van het verleden behoort?

Heidegger et le nazisme: een scheldroman

Referentie:

Farias, Victor, Heidegger et le Nazisme, Lagrasse : Editions Verdier, 1987, 332 p.

Plaatskenmerk:

MAG-B 13401

Extract:


“En 1962, Guido Schneeberger publia certains textes, jusqu’alors inconnus, qui mettaient en évidence l’adhésion pleine et entière de Martin Heidegger au national-socialisme, dans les années 1933-1934. »(dl.1)
p.15
« Martin Heidegger ne brisa jamais les liens organiques qui le rattachaient au parti national-socialiste. Les documents conservés dans les archives du NSDAP démontrent, entre autres choses, qu’il resta un militant actif jusqu’à la fin de la guerre, continuant d’acquitter ses cotisations, et qu’il ne fut jamais l’objet de réprimandes ni de procès politiques internes au sein du parti. » (dl.2)
p. 17
(HEUR-STAP 3: een boek gevonden via de UA-catalogus)

Commentaar:

Je kan moeilijk een blog schrijven over het begrip totalitarisme zonder aandacht te schenken aan deze uitgave. Zij het echter kort, want Heidegger et le Nazisme is naar mijn mening weinig meer dan een scheldroman, en een persoonlijke aanval op Martin Heidegger. In 1962 werd bekend dat Heidegger nooit zijn lidkaart van de NSDAP had ingeleverd, wat de nodige heisa veroorzaakte. Farias breit er in dit boek dat meer dan twintig jaar nadat het feit bekend werd verscheen enkele conclusies aan die Heidegger’s denken omschrijven als autoritair, antisemitisch en ultra-nationalistisch. Het is een controversieel boek, dat op lange termijn weinig veranderd heeft aan de wijdverspreide appreciatie van de oorspronkelijkheid van het heideggeriaanse denken binnen academische milieus. Heidegger is, in tegenstelling tot Arendt, niet weggegaan uit Duitsland. Meer zelfs, hij bleef doceren en werd als denker zeer gewaardeerd door de nazipolitiek. Wie Heidegger hier op wil afrekenen, heeft aan dit boek een stevige brok lectuur. We weten echter dat Heidegger teruggekeerd is op deze misstap, en er lang uit schaamte over gezwegen heeft. Moeten we echter het oeuvre van alle filosofen waar minder stichtende gegevens over te vinden zijn dan afschrijven? Is alles wat Sartre geschreven heeft zonder waarde, omdat hij de misdaden van Stalin minimaliseerde? Uit het opzet van Victor Farias spreekt eerder het verlangen ons van het nazisme af te maken als een blinde vlek in onze westerse cultuur, en de schuldige individuen voor eeuwig met de vinger te wijzen. 

Martin Heidegger is tachtig jaar oud

Referentie:

Arendt, Hannah, ‘Martin Heidegger is tachtig jaar oud’. In: Arendt, Hannah, Politiek in donkere tijden. Essays over vrijheid en vriendschap. (Ingeleid en vertaald door Remi Peeters en Dirk De Schutter). Amsterdam: Boom, 1999, p. 199- 214

Plaatskenmerk:

FILO 19.8 P-AREN 99

Extract:


“Wij, die de denkers willen eren, ook al ligt onze woonplaats midden in de wereld, kunnen er bezwaarlijk omheen het opvallend en misschien ergerlijk te vinden dat zowel Plato als Heidegger hun toevlucht gezocht hebben bij tirannen en dictators, toen ze zich de menselijke aangelegenheden inlieten. Dit zou kunnen te wijten zijn, niet aan de toenmalige tijdsomstandigheden en nog minder aan een karakteriële ingesteldheid, dan wel aan wat de Fransen een déformation professionelle noemen. Want in de theorieën van haast alle grote denkers valt een voorliefde voor het tirannieke te bespeuren (Kant is de grote uitzondering). En als men deze voorliefde niet kan vaststellen in wat ze deden, dan uitsluitend omdat zeer weinigen, zelfs onder die denkers, bereid waren om zich niet alleen over het eenvoudige te verwonderen, maar om ook “deze verwondering als woonplaats aan te nemen’.”
(HEUR-STAP 3: een boek gevonden via de UA-catalogus)

Commentaar:


Deze uitgave concentreert zich op Arendt’s nieuwe visie op politiek, en de rol die de denker in onze tijd op het publieke forum kan spelen.
Het extract komt uit een lezing van Hannah Arendt ter gelegenheid van de tachtigste verjaardag van haar mentor Martin Heidegger, met wie ze als studente een liefdesrelatie had. Heidegger is kort lid geweest van de nazi-partij, maar beschouwde dit later als een vergissing. Arendt verklaart Heidegger’s spijtige misstap als een beroepsmisvorming: Heidegger leefde in de verwondering.

La fille de Thrace et le penseur professionel: Jacques Taminiaux over Arendt en Heidegger

Referentie:


Taminiaux, Jacques, La fille de Thrace et le penseur professionnel. Paris: Editions Payot, 1992. 246 p.

Plaatskenmerk:

Persoonlijke bibliotheek

Extract:


“Le monde auquel se rapporte le comportement quotidien est un monde ambiant, un Umwelt, qui se présente comme un contexte fonctionnel sur le fond duqel aparaissent des ustensiles en général, des entités qui valent comme moyens pour des fins diverses. Cet environnement est le corrélat intentionnel d’un comportement préoccupé dont le trait fondamental réside dans l’activité de production. Ce monde quotidien est dit inauthentique chez Heidegger en tant que la production et la préoccupation qui l’animent n’ont d’yeux que pour des étants dont le mode d’être n’est pas celui du Dasein. En revanche, le monde, au sens propre ou authentique, s’annonce lorsque la stabilité et la sécurité de l’environnement sont ébranlées, réduites à néant, comme lorsque des outils se brisent, cessent de fonctionner ou s’avèrent impropres à l’usage. Cette rupture annonce-mais annonce seulement- la véritable experiénce du monde. »
p. 27

Commentaar:

Taminiaux gebruikt Plato’s ironische anecdote over Thales als uitgangspunt voor een vergelijkende analyse van het denken van Arendt en Heidegger. Uit dit extract blijkt hoe Arendt’s visie van de wereld breekt met de klassieke platonische idee over onze werkelijkheid als ondergeschikt aan een hogere ideeënwereld. Onze ervaring van de wereld is zonder meer waarachtig, en bepaalt de locus van Arendt’s denken. Deze tekst verheldert voor mij Arendt’s lezing Martin Heidegger is tachtig jaar. Zij omschrijft filosofische systemen hierin als gebouwen, als een woonplaats voor het denken. Heidegger woont niet in de context van de Umwelt die in dit extract beschreven wordt; zijn woonplaats is het denken zelf. Dit verduidelijkt voor mij eveneens hoe deze “beroepsmisvorming” als een excuus gezien kan worden voor zijn lidmaatschap van de NSDAP. De Umwelt wordt door Heidegger als onwaarachtig beschouwd: wat zij produceert zijn voor hem slechts ontische entiteiten die niet behoren tot de zaken zelf. Wat mij fascineert is de eenvoud waarmee Arendt komaf maakt met de ontologische logica van Parmenides en Plato. Plato’s dualistische kijk op de werkelijkheid wordt hier eigenlijk omgekeerd: ideeën zijn afhankelijk van het menselijke handelen en de oorspronkelijkheid van onze wereld i.p.v. omgekeerd.

Thales en het Thracische meisje

Referentie:


Van den Braembussche, Antoon, “De totalitaire verleiding. Hannah Arendt en de stilte van Heidegger”. In: Van den Braembussche, A. en Weyembergh, M. (red.) , Hannah Arendt. Vita activa versus vita contemplativa. Budel: Damon, 2002, p. 23-43.

Plaatskenmerk:

FILO 19.8 N-AREN BRAE 2002

Extract:


“In haar onvoltooid magnum opus The Life of the Mind verwijst Hannah Arendt naar de ‘geheel ernstige wijze’ waarop Plato, in zijn Theaetetus, bij monde van Socrates, vertelt hoe ooit een jong dienstmeisje uit Thracië in lachen uitbarstte wanneer zij Thales van Milete, die naarstig de sterren bestudeerde en hemelwaart tuurde, in een put zag vallen (Arendt, 1978a, One/ Thinking, 82). En Plato voegt eraan toe: ‘(...)zo’n vurige ijver om te weten wat er in de hemel omgaat en niet eens zien wat zich vlak aan zijn voeten bevindt!’. Hetzelfde geldt, aldus Plato, voor elke man die zijn leven aan de filosofie wijdt: ‘Hij kent inderdaad zijn naaste buurman niet, hij weet niet wat die doet, hij weet zelfs amper of die een mens is of een ander schepsel. Maar wat de mens is, door welke specifieke activiteit of passiviteit zulke natuur zich van de andere te onderscheiden: dat zoekt hij, dat wil hij uitmaken ten koste van inspanningen.’p. 85
(HEUR-STAP 3: een artikel gevonden via de UA-catalogus)

Commentaar:


Dit citaat van Plato over Thales en het Tracische dienstmeisje (in sommige versies is dit een slavin), beschrijft een fundamenteel conflict van de filosoof met de werkelijkheid en de reële maatschappij. Plato toont hier enige, zelfs supreme ironie t.o.v. de filosoof. De afwezige Thales en het lachende meisje symboliseren twee diametraal tegenovergestelde invalshoeken ten aanzien van de figuur van de wereldvreemde filosoof. Terwijl volgens Heidegger deze wereldvreemdheid tot de aard van de filosofie zélf behoort, sympathiseert Arendt met het lachende meisje en zoekt zij naar een filosofie die met beide voeten op de grond staat. De put waar Thales dreigt in te vallen, ziet Heidegger eerder als een symbool voor de “risicos van het vak”: het komt er net op aan de put niet te vermijden en zijn bodem te bereiken, enkel zo kunnen de fundamenten van ons bestaan worden blootgelegd. Deze verschillende wijsgerige grondhouding is specifiek kenmerkend voor Arendt en Heidegger. Arendt sluit de ervaring niet uit het domein van de verwondering, maar beschouwt de zeer concrete werkelijkheid en haar immanente structuur als het noodzakelijke onderwerp van haar filosofische studie. Dit heeft ver reikende implicaties m.b.t. het oordeel over deze wereld: in tegenstelling tot Arendt, heeft Heidegger er meestal het zwijgen toe gedaan wanneer het ging over de gruwelen van de nazi-terreur. Vergeten we echter niet dat Heidegger’s ‘avontuur van de geest’, dat hem leidde tot ‘die Sachen selbst’, Arendt levenslang heeft gefascineerd, en mee aan de grondslag ligt van de oorspronkelijkheid van haar denken.


Arendt en de levende ervaring

Referentie:

Arendt, Hannah, Tussen verleden en toekomst: vier oefeningen in politiek denken, Leuven: Garant, 1994, 175 p.

Plaatskenmerk:

PSW 32 G-AREN 94

Extract:

" Meer specifiek gaat het hier om oefeningen in politiek denken, zoals dit oprijst uit de actualiteit van politieke gebeurtenissen (ook al worden dergelijke gebeurtenissen slechts occasioneel vermeld), en ik ga ervan uit dat het denken oprijst uit voorvallen uit de levende ervaring en dat het met deze voorvallen ook voeling moet blijven houden : zij zijn de enige wegwijzers waarop het denken zich kan oriënteren."
p. 19-20 
(HEUR-STAP 4: een boek over het thema gevonden via diezelfde bibliografie)

Commentaar:

Dit citaat helpt mij te begrijpen waarom Arendt's conceptualisering van politiek zo zuiver is. Arendt vertrekt immers van de realiteit en plaatst de ontstaansplaats van het denken in onze zichtbare werkelijkheid: dit betekent een radicale breuk met het platonisme. Arendt's denken over het oordeel wordt gedreven door een grote daadkracht, omdat niet de reflecties over, maar enkel de gebeurtenissen zelf en hun immanente structuur het onderwerp zijn van haar studie. Arendt kon maar weinig waardering opbrengen voor ideeëngeschiedenis.

De afstandelijkheid van Friedrich en Brzezinski

Referentie:

Friedrich, Brzezinski, geciteerd in: Linz, Juan J., Totalitarian and Authoritarian Regimes, London: Lynne Riener Publishers, 2000, 343 p.

Plaatskenmerk:


DEV-321 G-Linz 2000

Extract:


“”The features which distinguish this regime from other and older autocracies as well as from heterocracies are  six in number. They are to recall what by now is a fairly generally accepted set of facts: (1) a totalist ideology; (2) a single party commited to this ideology and usually led by one man, the dictator; (3) a fully developed secret police and three kinds of monopoly or more precisley monopolistic control; namely, that of (a) mass communications, (b) operational weapons, and (c) all organizations including economic ones, thus involving a centrally planned economy...”(Friedrich, 1969, p.26)”
“Totalitarianism is a new form of government falling into the general classification of dictatorship, a system in which technologically advanced instruments of political power are wielded without restraint by centralized leadership of an elite movement for the purpose of affecting a total social revolution, including the conditioning of man on the basis of certain arbitrary ideological assumptions, proclaimed by the leadership in a atmosphere of coerced unanimity of the enitre population.” (Brzezinski, 1962)(dl. 2)””
p. 66
(HEUR-STAP 1: een gezaghebbend artikel uit de bibliografie van een encyclopedie-artikel)

Commentaar:


In een vrij recente uitgave over totalitaire en autoritaire regimes vond ik een citaat van de twee auteurs die in Historisches Worterbuch met Arendt  genoemd worden als gezaghebbende denkers over het thema. Een opvallend verschil met Arendt is dat beide auteurs in hun definitie enkel externe kenmerken van het totalitarisme behandelen, maar geen pogingen doen om vanuit een conceptueel standpunt de innerlijke structuren aan te duiden. In contrast met Arendt’s intens betrokken discours lijken deze auteurs meer afstand te nemen van het onderwerp. Het is deze afstand die we als criterium kunnen gebruiken voor de implicaties van een interpretatie. Hoewel Arendt in 1933 vluchtte voor het nazi-regime en de terreur dus nooit van dichtbij heeft meegemaakt, wordt haar politiek begip van dit fenomeen mee gestuurd door haar standpunt als joodse filosofe. Een tweede opvallend feit is dat de auteurs nergens gewag maken van het begrip totale Staat (al is dit een summier citaat en kan ik het volledige werk niet raadplegen). De alomaanwezigheid van het staatsapparaat blijkt echter uit het vervallen van de scheiding tussen politiek, economie, media en politiemacht. De ideologie ziet individuen als inwisselbaar en conditioneerbaar, en beschouwt de heersende klasse als superieur aan de monistische entiteit van “het volk”. Beide auteurs spreken over “ a dictator” of “ dictatorship”: Arendt verwerpt echter het concept van totalitarisme als ontworpen door één evil genius.
Het trauma dat Europa heeft overgehouden aan het nazisme, fascisme, stalinisme en de éénpartijdictatuur van het Oostblok, wordt duidelijk gevolgd door een reactie die de staat in stijgende lijn terugdringt in betekenis en maatschappelijke controle. Met het oog op de hedendaagse Europese politieke realiteit zien we dat de macht van het staatsapparaat en vooral, zijn controle over de economie sterk verminderd is. Misschien kunnen we deze evolutie naar een liberale diplomademocratie zien als een antithese op het totalitarisme. Ik stel me dan echter de vraag wat een mogelijke synthese zou kunnen zijn?

John Talmon over Links en Rechts Totalitarisme

Referentie:


Talmon, J.L., The Origins of Totalitarian Democracy. London: Mercury, 1961. 366 p.

Plaatskenmerk:

MAG-UIA-B 2640

Extract:


“While the starting point of totalitarianism of the Left has been and ultimately still is Man, his reason and salvation, that of the Right totalitarian schools has been the collective entity, the State, the nation, or the race. The former trend remains essentially individualist, atomistic and rationalist even when it raises the class or party to the level of absolute ends. These are, after all, only mechanically formed groups. Totalitarians of the Right operate solely with historic, racial and organic entities, concepts altogether alien to the individualism and rationalism. [...]
For reason is a unifying force, presupposing mankind to be the sum total of individual reasoning beings. Totalitarianism of the Right implies the negation of such a unity as well as a denial of the universality of human values. [...]
The second vital difference bethween the two types of totalitarianism is to be found in their divergent conceptions of human nature. The Left proclaims the essential goodness and perfectibility of human nature. The Right declares man to be weak and corrupt. [...] The Right teaches the necessity of force as a permanent way of maintaining order among poor and unruly creatures, and training them to act in a manner alien to their mediocre nature.” P 6-7
(HEUR-STAP 3: een boek over het thema gevonden via de UA-catalogus)

Commentaar:


Ook bij deze publicatie wordt het verschil met Arendt’s ideeën al duidelijk in de titel: Arendt spreekt nooit over een totalitaire democratie: het totalitarisme is essentieel verschillend van de democratie. Talmon tracht dit regime te verklaren vanuit een historische opvatting, terwijl Arendt een Heideggeriaanse ontologische methode toepast. Dit heeft niet enkel gevolgen voor de loop van het onderzoek, maar ook voor de inzichten die daar uit voortkomen. Talmon somt in dit hoofdstuk de verschillen op tussen Links en Rechts totalitarisme op. Deze opsomming lijkt te zinspelen op “verzachtigende omstandigheden”: al hebben zowel nazisme als stalinisme vernietigende sporen nagelaten, toch was het Linkse totalitarisme de mens beter gezind dan de corrigerende logica van het Rechtse totalitarisme.




Over Lenin en de 'vergissing van Columbus'

Referentie:


Flynn, Bernard, recensie van: Lefort, Claude, La complication: Retour sur Communisme, Paris: Fayard,1999, in : Constellations Volume 9, No 3, 2002, p. 436-444

Plaatskenmerk:

Eigen bibliotheek / Mijn computer

Extract:


“Inasmuch as reality did not conform to its representation in socialist theory, the Party became not just the seat of knowledge but also of will. Its will must force reality to correspond to the idea; in order to do this, it must be all-powerful and exercise central control over every aspect of life. Lefort, on the contrary, does not view the Soviet Union as a “Columbus mistake.” For him the “Leninist adventure” arrived at the land it had set sail for: a totalitarian movement gave rise to a totalitarian state. »
p. 437

(HEUR-STAP 2: een artikel gevonden via Philosopher's index)

Commentaar:


De Sovjet-Unie is volgens Claude Lefort géén ‘vergissing van Columbus’, alsof de leninisten koers gezet hadden naar een ideale staat gebaseerd op gelijkheid, en zonder het te beseffen ergens heel anders uitkwamen. Integendeel, de totale staat was exact waar de beweging wilde uitkomen en was geen gefaalde utopie. Sterker nog, net nu de mogelijkheid van een ideale staat voor handen lag, koos de partij een richting die de burger verder dan ooit van objectieve gelijkheid verwijderde. George Orwell’s novelle Animal Farm, die de westerse opinie over het Russische communisme mee gevormd heeft, toont een andere visie: pas nadat Trotski verjaagd was gedroeg de Partij zich als een totalitaire rechter over het volk. We weten echter ook dat de afschaffing van de vrije handel al geschiedde onder Lenin en Trotski, wegens on-marxistisch. John Talmon maakte in The origins of Totalitarian Democracy al een onderscheid tussen links en rechts totalitarisme als was de basisidee van het communisme humaner dan de zucht naar wereldheerschappij van de nazi’s. Ik vind dit een twijfelachtig argument: ook al kon er in het Derde Rijk maar voor één ras plaats zijn, toch meenden zij te opereren vanuit een hoger menselijk principe.

Michael Halberstam over het oorspronkelijke plan van de totalitaire heersers

Referentie:


Halberstam, Michael, « Totalitarianism as a Problem for the Conception of Modern Politics », Political Theory, Vol. 26, No. 4 (Aug., 1998), p. 459-488

Plaatskenmerk:


Eigen bibiliotheek / Mijn computer

Extract:


"The extreme social transformation pursued by totalitarian movements does not attempt a reactionary return to past social and political structures, nor a simple coup d' etat, but it expresses the aspiration toward a complete and unprecedented reconstruction of society. Moreover, totalitarian movements share in the belief-implicit in the ideal of emancipation-that the intellectual context legitimizing a particular social order can be determined by human construction as well. They take the idea of an intellectual reconstruction of the ideological basis of society to its extreme. Totalitarian movements propagate an ideology and produce it in the form of propaganda, with the intention of galvanizing the intellectual climate of public discourse to such an extent that all outside reference points disappear."
p. 465
(HEUR-STAP 2: een artikel via Philosopher's Index)

Commentaar:


Dit extract illustreert de moeilijkheden die opduiken wanneer we totalitarisme trachten te definiëren als een antithese op of een synthese van bestaande politieke systemen. Het totalitarisme manifesteert zich immers niet vanuit een staatsgreep of een revolutie. Hitler is democratisch verkozen door de Duitse natie, Stalin heeft zijn leiderschap binnen de communistische partij legitiem verworven. Anderzijds was, hoewel sommige auteurs hierover van mening verschillen, de intentie om het volledige zijn van de staat en de natie om te vormen tot een zuiver ideologische maatschappij al van het begin aanwezig. In die zin kunnen we betwijfelen of de uitkomst van Stalin’s regime als idee wel zover verwijderd is van het leninistische ideaal. Uit de jacht op de communisten na de brand in de Reichstag kunnen we concluderen dat de nazipartij een volledige reconstructie van de maatschappij ambieerde, die in de geschiedenis zijn precedent niet kent.