Posts tonen met het label HANNAH ARENDT. Alle posts tonen
Posts tonen met het label HANNAH ARENDT. Alle posts tonen

zondag 13 december 2009

Arendt en Hegel

Referentie:

Tsao, Roy T., “Arendt and the Modern State:Variations On Hegel in The Origins of Totalitarianism”, The review of politics 2004, University of Notre Dame, p. 106-136

Plaatskenmerk:

Eigen bibliotheek / Mijn computer

Extract:

“Like Hegel, Arendt believes that the basic challenge confronted by the modern state in sustaining its people’s allegiance to a single political community lies in the conflicting, particularistic interests that arise with the emergence of a market-oriented, “bourgeois” society. With more than a century’s hindsight, Arendt takes a different, and darker, view of the forms those conflicting interests had taken. Even so, her account of the syndromes of political alienation that resulted from the European state’s historical failure to contain and surmount those conflicts may be regarded as an imaginative extension of the underlying concerns that had led Hegel to lay great stress on the socially integrative function of political institutions. The consonance between Arendt’s arguments and Hegel’s is no less striking with respect to her claims about the state’s still more fundamental function of sustaining a rightsbased legal order. Like Hegel, Arendt holds that the reciprocal recognition of rights among the citizens of legally constituted political community is an indispensable condition for an individual’s attainment of full human agency, so much so that a life spent outside such a community is in a sense not fully human.”
p. 108
(HEUR-STAP 2: een artikel via Philosopher's index)

Commentaar:

Arendt heeft Hegel nooit genoemd als inspirator voor haar denken. Integendeel, zij denkt dat de historische Zeitgeist-theorie niet van toepassing is wanneer we het totalitarisme willen begrijpen: deze neutraliseert het begrip immers en plaatst het definitief in het verleden.
Volgens Taso zijn er in Arendt’s ideeën over totalitarisme toch parallellen met Hegels’ denken over de staat. Arendt zag het totalitarisme als de ultieme antithese van de moderniteit, niet als haar vervulling. Hegel voorzag een gelijkaardige evolutie naar een moderne éénpartijstaat, maar trok hier minder grimmige conclusies uit dan Arendt. De politieke vervreemding die volgde uit het falen van de Europese staten, had Hegel voorspeld en zou later een centrale plaats innemen in de marxistische analyse.
Daarnaast zijn er parallellen tussen het denken van Arendt en Hegel wat betreft de functie van de staat: beiden meenden dat de voorwaarden voor het mens zijn beschermd worden door de staat. We zien hier een derde parallel met Rousseau en zijn idee over het individu dat beschermd wordt door de staat. Toch heb ik moeite met het uitgangspunt van de auteur. Zuiver conceptueel kunnen we deze parallellen maken. Maar het Hegeliaanse absolute geloof in de afwikkeling van de geschiedenis ligt ten eerste aan de basis van het marxisme, en Marx’ visioen van eeuwige gelijkheid heeft indirect mee geleid tot de Oktoberrevolutie en de communistische machtsovername, en dit systeem heeft Stalin voortgebracht. Denken we weer aan Claude Leforte: de USSR was geen “vergissing van Columbus”, het was de exacte belichaming van het leninistische ideaal. Ten tweede moeten we voorzichtig zijn om het totalitarisme te omschrijven als “antithese van”, omdat dit veronderstelt dat het totalitarisme ontstond als tegenbeweging op de moderniteit, maar niets is minder waar. Een tweede gevaar van het gebruik van deze analytische terminologie is dat we voorbijgaan aan de typering van het Nieuwe Radicale Kwaad dat het totalitarisme belichaamde en het rationaliseren als een regime dat noodzakelijkerwijs voortkwam uit Europa’s politieke geschiedenis. Tenslotte impliceert deze veronderstelling dat het totalitaire regime de logische volgende stap was in de geschiedenis. Niets is minder waar: na de Oktoberrevolutie lag de manifestatie van een werkelijke objectieve gelijkheid binnen handbereik: de machtshebbers hebben jammerlijk de verkeerde richting gekozen. Daarom is het totalitarisme geen gefaalde utopie, wel een bewust gemiste kans.

vrijdag 11 december 2009

Arendt over het radicale kwaad

Referentie:


Bernstein, Richard J, “The Origins of Totalitarianism: Not History, but Politics”, SOCIAL RESEARCH, Vol. 69, No. 2 (Summer 2002), p. 381-401

Plaatskenmerk:


Eigen bibliotheek / Mijn computer

Extract:


“When Arendt explores the connection between radical evil and the phenomenon of superfluousness, she warns us that fanatics believe in their own superfluousness. They are committed to a movement that transcends the life or death of any individual. This is why she thought that the appeal to conventional utilitarian categories or appeals to common sense were completely inadequate to account for the phenomenon of radical evil. Even more important, although Arendt thought that the problem of evil was the major intellectual problem after the Second World War, and returned over and over again to explore the intricacies of both radical evil and the banality of evil, she also warned how dangerous the concept of evil is when it enters into politics and political discourse. Politics requires judgment, discrimination, and compromise. But "evil" has an absolutistic aura. When used to demonize an enemy, it allows for no compromise. The only response to evil is to eradicate and destroy it. It is frightening the way in which the emotional and rhetorical appeal to "evil" is now being used to manipulate public policy. » p. 386
(HEUR-STAP 2: artikel gevonden via Swetswise)

Commentaar:


Arendt waarschuwt voor een onjuist gebruik van het concept “evil” in de politiek. Wanneer een gemeenschappelijke vijand aangeduid wordt als “het Kwaad”, heiligt het doel alle middelen  om deze te bestrijden. Vanuit dit standpunt is Noam Chomsky’s omschrijving van de regering Bush als een “crypto-fascistisch regime” adequaat. Het idee van een “axis of evil” legitimeerde deze regering om Irak en Afghanistan binnen te vallen, veel meer dan het nooit bevestigde vermoeden dat deze landen achter de aanslagen van 9/11 zaten. Het is in zekere zin hetzelfde propagandistische concept waarmee de nazi’s de joden demoniseerden.

donderdag 10 december 2009

Beeldpost: poging tot verbeteren van de idee in een cover

Referentie


Arendt, Hannah, Totalitarisme, Nederlandse vertaling door Dirk De Schutter en Remi Peeters. Amsterdam: Boom, 2005, 440 p. / Eigen werk

Plaatskenmerk:

Mijn computer

Extract:



Commentaar:


Tijdens mijn eerste studie Illustratieve Vormgeving was één van de opdrachten voor grafisch ontwerp om een bestaande boekcover te verbeteren. Welaan dan, laten we deze oefening hernemen en toepassen op de cover van de Nederlandse vertaling van Totalitarisme. Het coverbeeld illustreert hier immers het misverstand dat Arendt ten allen prijze wilde vermijden. De foto toont het achterhoofd van een SS’er, we zien hier dus een individu. Als we de titel er bij zien zou deze foto dus moeten verwijzen naar het totalitarisme an sich. Niets is echter minder waar: we zien hier een tiran, niét het totalitaire systeem. Bekijken we daarnaast mijn bescheiden vormoefening: een collage uit oude tijdschriften. Uiteraard is het kollosale in beide covers aanwezig. Mijns inziens wordt het totalitaire systeem als zodanig, waarin het individu volledig geisoleerd wordt, hier duidelijker verbeeld. Bekijken we nogmaals de echte cover: als we hieruit moeten afleiden dat déze SS’er het totalitaire regime illustreert, impliceert dit dat de verantwoordelijkheid voor Auschwitz bij déze SS’er ligt. Waarschijnlijk verwijst dit hoofd niet enkel naar hém maar naar de hele SS, of het hele totalitaire staatsapparaat. Zelfs dan wordt de verantwoordelijkheid afgeschoven naar één regime, dat we hopelijk nooit meer terugzien.
Koppelen we deze gedachte aan het argument van Prins over de noodzakelijke afwikkeling van de geschiedenis, dan lijkt dit argument al helemaal ongeldig. Hoe kunnen we immers beweren dat het totalitarisme geen eenmalig fenomeen is, maar een exces van de tirannie, en tegelijkertijd volhouden dat dit regime voor altijd tot de duistere krochten van het verleden behoort?

Martin Heidegger is tachtig jaar oud

Referentie:

Arendt, Hannah, ‘Martin Heidegger is tachtig jaar oud’. In: Arendt, Hannah, Politiek in donkere tijden. Essays over vrijheid en vriendschap. (Ingeleid en vertaald door Remi Peeters en Dirk De Schutter). Amsterdam: Boom, 1999, p. 199- 214

Plaatskenmerk:

FILO 19.8 P-AREN 99

Extract:


“Wij, die de denkers willen eren, ook al ligt onze woonplaats midden in de wereld, kunnen er bezwaarlijk omheen het opvallend en misschien ergerlijk te vinden dat zowel Plato als Heidegger hun toevlucht gezocht hebben bij tirannen en dictators, toen ze zich de menselijke aangelegenheden inlieten. Dit zou kunnen te wijten zijn, niet aan de toenmalige tijdsomstandigheden en nog minder aan een karakteriële ingesteldheid, dan wel aan wat de Fransen een déformation professionelle noemen. Want in de theorieën van haast alle grote denkers valt een voorliefde voor het tirannieke te bespeuren (Kant is de grote uitzondering). En als men deze voorliefde niet kan vaststellen in wat ze deden, dan uitsluitend omdat zeer weinigen, zelfs onder die denkers, bereid waren om zich niet alleen over het eenvoudige te verwonderen, maar om ook “deze verwondering als woonplaats aan te nemen’.”
(HEUR-STAP 3: een boek gevonden via de UA-catalogus)

Commentaar:


Deze uitgave concentreert zich op Arendt’s nieuwe visie op politiek, en de rol die de denker in onze tijd op het publieke forum kan spelen.
Het extract komt uit een lezing van Hannah Arendt ter gelegenheid van de tachtigste verjaardag van haar mentor Martin Heidegger, met wie ze als studente een liefdesrelatie had. Heidegger is kort lid geweest van de nazi-partij, maar beschouwde dit later als een vergissing. Arendt verklaart Heidegger’s spijtige misstap als een beroepsmisvorming: Heidegger leefde in de verwondering.

La fille de Thrace et le penseur professionel: Jacques Taminiaux over Arendt en Heidegger

Referentie:


Taminiaux, Jacques, La fille de Thrace et le penseur professionnel. Paris: Editions Payot, 1992. 246 p.

Plaatskenmerk:

Persoonlijke bibliotheek

Extract:


“Le monde auquel se rapporte le comportement quotidien est un monde ambiant, un Umwelt, qui se présente comme un contexte fonctionnel sur le fond duqel aparaissent des ustensiles en général, des entités qui valent comme moyens pour des fins diverses. Cet environnement est le corrélat intentionnel d’un comportement préoccupé dont le trait fondamental réside dans l’activité de production. Ce monde quotidien est dit inauthentique chez Heidegger en tant que la production et la préoccupation qui l’animent n’ont d’yeux que pour des étants dont le mode d’être n’est pas celui du Dasein. En revanche, le monde, au sens propre ou authentique, s’annonce lorsque la stabilité et la sécurité de l’environnement sont ébranlées, réduites à néant, comme lorsque des outils se brisent, cessent de fonctionner ou s’avèrent impropres à l’usage. Cette rupture annonce-mais annonce seulement- la véritable experiénce du monde. »
p. 27

Commentaar:

Taminiaux gebruikt Plato’s ironische anecdote over Thales als uitgangspunt voor een vergelijkende analyse van het denken van Arendt en Heidegger. Uit dit extract blijkt hoe Arendt’s visie van de wereld breekt met de klassieke platonische idee over onze werkelijkheid als ondergeschikt aan een hogere ideeënwereld. Onze ervaring van de wereld is zonder meer waarachtig, en bepaalt de locus van Arendt’s denken. Deze tekst verheldert voor mij Arendt’s lezing Martin Heidegger is tachtig jaar. Zij omschrijft filosofische systemen hierin als gebouwen, als een woonplaats voor het denken. Heidegger woont niet in de context van de Umwelt die in dit extract beschreven wordt; zijn woonplaats is het denken zelf. Dit verduidelijkt voor mij eveneens hoe deze “beroepsmisvorming” als een excuus gezien kan worden voor zijn lidmaatschap van de NSDAP. De Umwelt wordt door Heidegger als onwaarachtig beschouwd: wat zij produceert zijn voor hem slechts ontische entiteiten die niet behoren tot de zaken zelf. Wat mij fascineert is de eenvoud waarmee Arendt komaf maakt met de ontologische logica van Parmenides en Plato. Plato’s dualistische kijk op de werkelijkheid wordt hier eigenlijk omgekeerd: ideeën zijn afhankelijk van het menselijke handelen en de oorspronkelijkheid van onze wereld i.p.v. omgekeerd.

Thales en het Thracische meisje

Referentie:


Van den Braembussche, Antoon, “De totalitaire verleiding. Hannah Arendt en de stilte van Heidegger”. In: Van den Braembussche, A. en Weyembergh, M. (red.) , Hannah Arendt. Vita activa versus vita contemplativa. Budel: Damon, 2002, p. 23-43.

Plaatskenmerk:

FILO 19.8 N-AREN BRAE 2002

Extract:


“In haar onvoltooid magnum opus The Life of the Mind verwijst Hannah Arendt naar de ‘geheel ernstige wijze’ waarop Plato, in zijn Theaetetus, bij monde van Socrates, vertelt hoe ooit een jong dienstmeisje uit Thracië in lachen uitbarstte wanneer zij Thales van Milete, die naarstig de sterren bestudeerde en hemelwaart tuurde, in een put zag vallen (Arendt, 1978a, One/ Thinking, 82). En Plato voegt eraan toe: ‘(...)zo’n vurige ijver om te weten wat er in de hemel omgaat en niet eens zien wat zich vlak aan zijn voeten bevindt!’. Hetzelfde geldt, aldus Plato, voor elke man die zijn leven aan de filosofie wijdt: ‘Hij kent inderdaad zijn naaste buurman niet, hij weet niet wat die doet, hij weet zelfs amper of die een mens is of een ander schepsel. Maar wat de mens is, door welke specifieke activiteit of passiviteit zulke natuur zich van de andere te onderscheiden: dat zoekt hij, dat wil hij uitmaken ten koste van inspanningen.’p. 85
(HEUR-STAP 3: een artikel gevonden via de UA-catalogus)

Commentaar:


Dit citaat van Plato over Thales en het Tracische dienstmeisje (in sommige versies is dit een slavin), beschrijft een fundamenteel conflict van de filosoof met de werkelijkheid en de reële maatschappij. Plato toont hier enige, zelfs supreme ironie t.o.v. de filosoof. De afwezige Thales en het lachende meisje symboliseren twee diametraal tegenovergestelde invalshoeken ten aanzien van de figuur van de wereldvreemde filosoof. Terwijl volgens Heidegger deze wereldvreemdheid tot de aard van de filosofie zélf behoort, sympathiseert Arendt met het lachende meisje en zoekt zij naar een filosofie die met beide voeten op de grond staat. De put waar Thales dreigt in te vallen, ziet Heidegger eerder als een symbool voor de “risicos van het vak”: het komt er net op aan de put niet te vermijden en zijn bodem te bereiken, enkel zo kunnen de fundamenten van ons bestaan worden blootgelegd. Deze verschillende wijsgerige grondhouding is specifiek kenmerkend voor Arendt en Heidegger. Arendt sluit de ervaring niet uit het domein van de verwondering, maar beschouwt de zeer concrete werkelijkheid en haar immanente structuur als het noodzakelijke onderwerp van haar filosofische studie. Dit heeft ver reikende implicaties m.b.t. het oordeel over deze wereld: in tegenstelling tot Arendt, heeft Heidegger er meestal het zwijgen toe gedaan wanneer het ging over de gruwelen van de nazi-terreur. Vergeten we echter niet dat Heidegger’s ‘avontuur van de geest’, dat hem leidde tot ‘die Sachen selbst’, Arendt levenslang heeft gefascineerd, en mee aan de grondslag ligt van de oorspronkelijkheid van haar denken.


Arendt en de levende ervaring

Referentie:

Arendt, Hannah, Tussen verleden en toekomst: vier oefeningen in politiek denken, Leuven: Garant, 1994, 175 p.

Plaatskenmerk:

PSW 32 G-AREN 94

Extract:

" Meer specifiek gaat het hier om oefeningen in politiek denken, zoals dit oprijst uit de actualiteit van politieke gebeurtenissen (ook al worden dergelijke gebeurtenissen slechts occasioneel vermeld), en ik ga ervan uit dat het denken oprijst uit voorvallen uit de levende ervaring en dat het met deze voorvallen ook voeling moet blijven houden : zij zijn de enige wegwijzers waarop het denken zich kan oriënteren."
p. 19-20 
(HEUR-STAP 4: een boek over het thema gevonden via diezelfde bibliografie)

Commentaar:

Dit citaat helpt mij te begrijpen waarom Arendt's conceptualisering van politiek zo zuiver is. Arendt vertrekt immers van de realiteit en plaatst de ontstaansplaats van het denken in onze zichtbare werkelijkheid: dit betekent een radicale breuk met het platonisme. Arendt's denken over het oordeel wordt gedreven door een grote daadkracht, omdat niet de reflecties over, maar enkel de gebeurtenissen zelf en hun immanente structuur het onderwerp zijn van haar studie. Arendt kon maar weinig waardering opbrengen voor ideeëngeschiedenis.

Arendt over de radicale dwang van de logiciteit van de ideologie

Referentie:

Arendt, Hannah, Totalitarisme, Nederlandse vertaling door Dirk De Schutter en Remi Peeters. Amsterdam: Boom, 2005, 440 p.

Plaatskenmerk:


Persoonlijke bibliotheek

Extract:

“Op dit historische moment, dat wil zeggen, in overeenstemming met de wet van de geschiedenis, moeten wij veronderstellen dat bepaalde misdaden moeten worden gepleegd die de partij, de wet van de geschiedenis kennend, moet bestraffen. Voor deze misdaden heeft de partij misdadigers nodig; het zou kunnen dat de partij nog niet helemaal zeker is van de daders, ook al kent ze de misdaden; belangrijker dan de zekerheid over de daders is de bestraffing van de misdaden, want zonder die bestraffing wordt de geschiedenis niet vooruit geholpen, maar mogelijkerwijze gehinderd in haar verloop. Daarom heb jij ofwel de misdaden gepleegd, ofwel ben je door de partij opgeroepen om de rol van misdadiger te spelen – in elk geval ben je objectief een vijand van de partij geworden. Wanneer je niet bekent, help je niet langer de geschiedenis door de partij, en ben je een reële vijand geworden.
p.340
(HEUR-STAP 1: een gezaghebbend boek uit de bibliografie van een encyclopedie-artikel)

Commentaar:


Een belangrijk onderscheid tussen de dictatuur of de tirannie en het totalitarisme ligt in het gebruik van terreur. Een dictator gebruikt zijn macht om opposante krachten in de maatschappij te onderdrukken, maar deze bewegingen blijven wel bestaan. In een totalitair regime komt de echte terreur pas op gang wanneer alle tegenstand al lang uitgeschakeld is. Het klaarstomen van slachtoffers en uitvoerders, waaraan het totalitarisme
behoefte heeft, gebeurt niet door de ideologie zelf maar door de inherente logiciteit van de ideologie. Hitler en Stalin waren verzot op het argument dat 'wie A zegt, ook B, C enz zegt': hierin ligt de dwingende kracht van de logiciteit. Het is vergelijkbaar met Trotski's stelling dat 'we enkel en alleen gelijk kunnen hebben met en door de partij, omdat de geschiedenis ons geen andere mogelijkheid biedt'.



Tony Judt over de plooibaarheid van de werkelijkheid

Referentie:


Judt, Tony, De vergeten twintigste eeuw. Nieuwe wereldgeschiedenis, Amsterdam: Contact, 2008, p. 93-94.

Plaatskenmerk:

Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience

Extract:

"In plaats van te erkennen dat het stalinisme en het nazisme zoals Arendt het noemde ‘volslagen krankzinnig’ waren, zochten wetenschappelijke en andere analisten naar ‘interessante’ en ‘rationele’ aanknopingspunten die hen in staat zouden stellen deze ontwikkelingen in het bekende politieke en morele landschap in te passen. In het geval van het nazisme zagen zij daardoor de centrale rol van de genocide over het hoofd. Het vooropgezette plan om hele volken en categorieën van de bevolking uit te moorden was niet zomaar de zoveelste uitbarsting van ongebreideld geweld, het was de uiterste consequentie van de wens om de individuele mens te overheersen en te ontmantelen. Daardoor was de genocide geen bijkomstig uitvloeisel van de bedoelingen van het regime, maar vormde die daar juist de kern van. Langs diezelfde lijn vormde het stalinistische tijdperk geen geperverteerde versie van de logica van de Historische Vooruitgang maar juist het hoogtepunt ervan, het was het bewijs van de oneindige plooibaarheid van alle ervaringen en werkelijkheden ten dienste van een idee."

Commentaar:

Tony Judt springt Arendt hier bij en formuleert helder het misverstand dat we m.b.t. het totalitarisme ten alle prijze moeten vermijden. Een wetenschappelijke, historische benadering van dit fenomeen zet ons op het verkeerde spoor: we gaan dan immers uit van een moreel politiek landschap dat ons wel bekend is, maar mijlenver verwijderd is van de logica van het totalitarisme. De genocide kwam voort uit een vooropgezet plan en een specifieke wens, ze kan onmogelijk omschreven worden als een uitbarsting van geweld tussen bevolkingsgroepen. Dit onderscheidt het nazisme eveneens van het fascisme onder Franco en Mussolini, en onderscheidt het stalinisme van de latere éénpartij-dictatuur in Rusland. Arendt springt erg voorzichtig om met het begrip: we kunnen de Chinese communistische dictatuur ook niet zomaar omschrijven als totalitair, aangezien we weinig bewijzen hebben van bewuste decimering van de bevolking.

Arendt over de vlucht in het verleden

Referentie:


Arendt, Hannah, Totalitarisme, Nederlandse vertaling door Dirk De Schutter en Remi Peeters. Amsterdam: Boom, 2005, 440 p.

Plaatskenmerk:

Persoonlijke bibliotheek

Extract:

“We kunnen het ons niet langer veroorloven om alleen het goede uit het verleden als onze erfenis te beschouwen, terwijl we het slechte wegwerpen en het eenvoudig beschouwen als dood gewicht dat vanzelf door de tijd zal worden begraven en vergeten. De onderaardse stroom van de westerse geschiedenis is eindelijk aan de oppervlakte gekomen en heeft beslag gelegd op de waardigheid van onze traditie. Dit is de werkelijkheid waarin wij leven. En daarom zijn alle pogingen om het grimmige verleden te vergeten- hetzij door nostalgisch weg te vluchten naar een ongerept verleden, hetzij door onder te duiken in een betere toekomst-, vergeefs.” p. 42 (HEUR-STAP 1: een gezaghebbend boek uit de bibliografie van een encyclopedie-artikel)

Commentaar:

Met het vorige artikel vers in het geheugen kijken we nog eens naar het voorwoord van Totalitarisme.  We hebben inderdaad de neiging om de waanzin van ons verleden te omschrijven als faits divers. Ook de verantwoordelijkheid voor de kruistochten nemen we niet graag op ons, we spreken zelfs over een periode van honderden jaren als de duistere middeleeuwen, als betrof het hier slechts een kort intermezzo in de eeuwigdurende glorie van onze westerse cultuur. De benadering van Prins is eigenlijk een vluchtroute, die blijk geeft van een onvermogen om de krankzinnige waanzin van het nazisme en stalinisme te plaatsen. Hoezeer we ook willen geloven dat totalitaire regimes voorgoed tot het verleden behoren, toch maken zij evenzeer deel uit van onze wereld en kunnen zij zich opnieuw manifesteren. Er is hier wel degelijk iets gebeurd waar we niet zomaar aan voorbij kunnen, we zijn gedwongen om stil te staan en onze werkelijkheid in zijn volledigheid in aanschouwing te nemen.

Over het geloof dat alles mogelijk is

Referentie:

Peeters, Remi, ‘About the Belief that Everything is Possible. Hannah Arendt’s Analysis of Totalitarianism’. Budhi. A Journal of Ideas and Culture, 2002, Vol. VI, nr. 2&3, p. 51-75.

Plaatskenmerk:

Persoonlijke bibliotheek

Extract:

“Precisely because she wanted ‘to describe the totalitarian phenomenon as occurring, not on the moon, but in the midst of human society’ (R, 79), Arendt has given up the attempt to write a history of totalitarianism. She has tried instead ‘to discover the chief elements of totalitarianism’ – meant are anti-Semitism and imperialism – ‘and to analyse them in historical terms, tracing these elements back in history as far as I deemed proper and necessary. […] The book […] gives a historical account of these elements which crystallized into totalitarianism, this account is followed by an analysis of the elemental structure of totalitarian movements and domination itself.”(dl.1)“To begin with, it should be noted that elements are not causes. Arendt warns for the misunderstanding, partly due to the term Origins in the title of the American edition, that she tried to detect the causes that, with an iron logic, would have led to totalitarianism. Arendt clearly does not believe that necessity is at work in history. Indeed, to the extent that such a view (e.g. in the form of a scenario of progress or doom) incites people to experience themselves as the plaything of anonymous and superhuman forces and to forsake their responsibility for the world, it already forms a part of the totalitarian syndrome. The crystallisation of elements, scattered all over Europe, into totalitarian forms was neither a matter of inevitable necessity nor of blind accident.”(dl.2)  (p. 53)

Commentaar:

Remi Peeters weerlegt hier de kritiek van W.B. Prins op Arendt’s historische methode en maakt gewag van een misverstand. We interpreteren The Origins of Totalitarianism verkeerd wanneer we denken dat Arendt de verschillende oorzaken van het totalitarisme zou hebben willen blootleggen. Vanuit een Hegeliaanse Zeitgeist-opvatting zou dit immers impliceren dat deze oorzaken onvermijdelijk tot het ontstaan van het totalitarisme geleid hebben en dat deze regimes m.a.w. historisch noodzakelijk waren. Deze opvatting legt de verantwoordelijkheid voor de wereld buiten menselijke handen, wat Arendt sterk aanvecht. De elementen die beschreven werden in deel I (Antisemitism) en deel II (Imperialism) van The Origins of Totalitarianism zijn uitgekristalliseerd tot totalitaire structuren, zonder dat dit onvermijdelijk was.
Wat we hier uit kunnen onthouden is dat Arendt de menselijke keuze centraal plaatst: we kunnen de verantwoordelijkheid voor de gruwelen van Auschwitz niet zomaar toewijzen aan de noodzakelijke loop der geschiedenis. Deze misdaden zijn uitgevoerd door mensen, die zich ten volle bewust waren van de consequenties van hun daden.

Bart Prins over Arendt's methodologische dilemma

Referentie:

Prins, W.B., Op de bres voor vrijheid en pluraliteit: politiek in de post-metafysische revisie van Hannah Arendt, Amsterdam: VU Uitgeverij, 1990, 227 p.

Plaatskenmerk:

MAG-B 17791

Extract:


“De stelling, in het artikel “The concentration camps” geponeerd, dat in het Derde Rijk en de Sovjet-Unie gelijktijdig een nieuw type op geïnstutionaliseerde terreur gebaseerde heerschappij tot ontwikkeling komt, is niet verenigbaar met de hypothese dat het nationaal-socialisme een ‘volledig ontwikkeld imperialisme’ is, dat vanuit de desintegratie van de nation-state begrepen kan worden. Het is duidelijk dat de stalinistische terreur in belangrijke mate buiten het kader van de politieke geschiedenis van West-Europa valt. Maar afgezien daarvan staat de overtuiging dat de totalitaire overheersing zonder precedent is en derhalve niet in het verleden geworteld is, op gespannen voet met de historische benadering als zodanig. Hannah Arendt verbindt geen consequenties aan het methodologische dilemma dat zich hier aandient tussen de historische verklaring en de typering van het volstrekt nieuwe.” p.80

Commentaar:


Arendt distantieert zich van een zuiver historische benadering van de goelag en de concentratiekampen. Geschiedenis is immers een relatief begrip dat ook zonder meer vervalst kan worden: zelfs de verdicten van de naoorlogse processen van de nazipartij zijn gebonden aan tijd- en plaatsgebonden factoren. Een ander gevolg van deze historische relativiteit kan men zien in het negationisme: we weten dat de holocaust ook staalhard ontkend kan worden. Arendt’s analyse van het Eichman-proces werd vaak bekritiseerd, onder meer omdat zij niet alle zittingen heeft bijgewoond. Bart Prins bekritiseert in dit artikel deels Arendt’s onderzoeksmethode,  die een conceptueel kader tracht te creëren voor de typering van het totalitarisme als een volstrekt nieuw politiek systeem zonder precedent, maar geen plaats geeft aan de historische verklaring van het fenomeen.

De massamens in het totalitarisme

Referentie:


De Schutter, Dirk, Het ketterse begin: Arendt over de filosofie van het actieve leven, Budel: Damon, 2005, 144 p.

Plaatskenmerk:


FILO 19.8 N-AREN-SCHU 2005

Extract:

“Het totalitarisme is volgens Arendt een verschijnsel van de massamaatschappij. Het doet zich voor op het moment dat de burgers elk klassenbewustzijn verliezen, door geen enkele partij aangesproken worden en zich uit elk sociaal net werk verstoten voelen. Deze geïsoleerde individuen lijken ondanks hun heterogene verscheidenheid sterk op elkaar: ze staan onverschillig tegenover sociale verplichtingen, ze zijn niet georganiseerd en niet geïnteresseerd in politiek en worstelen met het gevoel volkomen overbodig te zijn en nergens thuis te horen. (...) Het totalitaire individu verlangt er bovenal naar niemand te zijn, geen standpunt te hebben, geen mening te vertolken en als een radertje te functioneren in de reusachtige machine van de massamaatschappij. De massamens heeft eindelijk een plaats in de maatschappij gekregen, maar het is geen plaats die hij veroverd heeft, of waarvoor hij zich ingezet heeft, het is niet zijn plaats die hem toekomt, het had even goed een andere plaats kunnen zijn of het had even goed gekund dat een ander zijn plaats had gekregen. De massamens heeft een plaats verworven, maar op geen enkel moment heeft hij het gevoel gekregen van betekenis te zijn of mee te tellen, op geen enkel moment heeft hij interesse betoond of onverschilligheid afgelegd, op geen enkel moment heeft hij de ervaring opgedaan dat de plaats die hij bekleedt, iets met hem, met zijn persoonlijkheid of met zijn leveninstelling te maken heeft.” p.128
(HEUR-STAP 3: een boek over het thema gevonden via de UA-catalogus)

Commentaar:


De verlatenheid waarvan al sprake in het vorige artikel, wordt hier door Dirk De Schutter (vertaler van Hannah Arendt) gespecifieerd. De verlatenheid toont zich in de atomaire structuur van deze maatschappij waarin burgers door een sociaal vacuüm van elkaar gescheiden worden. Het individu is volledig inwisselbaar en gelooft geen enkele waarde te hebben. Het individu krijgt daar geen gemeenschapsgevoel voor in de plaats: integendeel, het individu verwordt tot een massamens die afgesneden wordt van de pluraliteit en de dialoog. Dit heeft onmiddelijke consequenties voor het denken: het vrije denken moet plaats maken voor de logica van de heersende ideologie. Alles wat hier niet in past wordt weggeredeneerd. Dit is in essentie een radicale vrijheidsbeperking en een regelrechte aanslag op de mens: het totalitaire systeem tast de mogelijkheden van het denken en van de ervaring aan.

dinsdag 8 december 2009

Theorieën over het Totalitarisme na 1945

Referentie:


Historisches Worterbuch der Philosophie. Joachim Ritter e.a. (Hrsg.), Basel: Schwabe,  1971-2005, 12 vols.

Plaatskenmerk:


FILO 10 A-RITT 71

Extract:


Die T.-Theorie nach 1945. –Die beiden einflusreichsten Abhandlungen entstanden erst in der Nachkriegszeit: H.ARENDTS ‘Origins of Totalitarianism’(1951) und C.J. FRIEDRICHS und Z.BRZEZINSKIS ‘Totalitarian Dictatorship and Autocracy’ (1956). Während ARENDT unter Einbeziehung existenzphilosophischer Überlegungen die historischen Elemente und Voraussetzungen des T. wie Antisemitismus, Rassismus, Imperialismus, Panbewegungen, Niedergang des Nationalstaates, Untergang des Klassengeselschaft, Entstehung der Masse vorführte, um damit sowohl die Anfälligkeit des vereinsamten Massenmenschen für “totalitäre Bewegungen”, “totalitäre Propaganda” und “totale Organisationen” als auch die einzelnen Bestandsteile totalitärer Herrschaft (Staatsapparat, Geheimpolizei, Konzentrationslager, Ideologie und Terror) verständlich zu machen [42], entwickelten FRIEDRICH/BRZEZINSKI einen auf empirische Überprüfbarkeit angelegten Katalog von sechs grundlegenden, in wechselseitiger Beziehung stehenden Merkmalen totalitärer Diktatur: “ideology, a single party typically led by one man, a terroristic police, a communications monopoly, a weapon monopoly, and a centrally directed economy”[43].” p 1298

Commentaar:


Als startpunt voor deze blog is het nuttig het naoorlogse begrip totalitarisme af te bakenen aan de hand van het Historisches Worterbuch der Philosophie. We bekijken hier specifiek de gedachtengang rond totalitarisme, die na 1945 op gang is gekomen. Het boek van Friedrich en Brzezinski is in de UA-bibliotheek niet te vinden, ook van de afzonderlijke auteurs zijn er enkel in het magazijn nog publicaties voor handen. Hannah Arendt’s werk is daarentegen brandend actueel: haar werk neemt samen met de auteurs die over haar geschreven hebben een lijvige plaats in in de rekken van de filosofische bibliotheek. Ik zal mijn onderzoek dan ook laten leiden door de implicaties van haar reflecties over het totalitarisme.
Een essentieel verschil tussen Arendt en Friedrich/Bzrezinski toont zich al in de titel Totalitarian Dictatorship and Autocracy. Arendt heeft altijd benadrukt dat het totalitarisme zich radicaal onderscheidt van de dictatuur of de tirannie. Ze gaat daarmee in tegen een aantal denkers zoals Friedrich of J.L. Talmon, die het totalitarisme kenmerken als een ideologische politiestaat, die slechts in enkele opzichten verschilt van de dictatuur. De consequenties van dit conflict reiken zeer ver en beinvloeden o.a. hoe we denken over de latente mogelijkheid van een herhaling van de terreur in nazi-Duitsland en stalinistisch Rusland.
(HEUR-STAP 0: Thematische afbakening via naslagwerk)

woensdag 2 december 2009

De verlatenheid in het totalitarisme

Referentie:

Arendt, Hannah, Totalitarisme, Nederlandse vertaling door Dirk De Schutter en Remi Peeters. Amsterdam: Boom, 2005, 433 p.

Plaatskenmerk:

Persoonlijke bibliotheek

Extract:

"Het totalitarisme onderscheidt zich daarin van alle ons bekende regimes dat het een nooit vertoonde aanslag pleegt op de menselijke vrijheid en spontaniteit, en elke denkbare vorm van zinvol menszijn en menselijke gemeenschap vernietigt. De onvergeeflijke misdaad van het totalitarisme bestaat erin dat het de verlatenheid, die nu eenmaal des mensen is en bij uitstek in het sterven wordt ervaren, schandelijk misbruikt door deze uitzonderingsconditie uit te vergroten tot een alledaagse werkelijkheid, ze in te schakelen in een systeem van terreur en ze ten grondslag te leggen aan de politieke organisatie van het samenleven. Totalitarisme is de enige regeringsvorm waarmee in geen opzicht te leven valt. Het noopt radicaal tot verzet."
p7
(HEUR-STAP 1: een gezaghebbend boek uit de bibliografie van een encyclopedie-artikel)

Commentaar:

In de inleiding van deze vertaling van Hannah Arendt's "Totalitarianism", deel III van haar magnum opus The Origins of Totalitarianism uit 1951, formuleren Remi Peeters en Dirk De Schutter de conclusies die Arendt trok uit haar immense studie van het totalitarisme. Arendt werkte een conceptueel kader uit voor een fenomeen dat in onze geschiedenis geen precedent kent, en de politieke categorieën en morele beoordelingscriteria van onze westerse cultuur letterlijk heeft verpulverd.
Arent legt doorheen het boek de nadruk op de uniciteit van het nazisme en stalinisme, die onmogelijk kunnen ingedeeld worden bij de uit de geschiedenis bekende vormen van tirannie of dictatuur.