Posts tonen met het label TOTALITARISME. Alle posts tonen
Posts tonen met het label TOTALITARISME. Alle posts tonen

zondag 13 december 2009

Arendt en Hegel

Referentie:

Tsao, Roy T., “Arendt and the Modern State:Variations On Hegel in The Origins of Totalitarianism”, The review of politics 2004, University of Notre Dame, p. 106-136

Plaatskenmerk:

Eigen bibliotheek / Mijn computer

Extract:

“Like Hegel, Arendt believes that the basic challenge confronted by the modern state in sustaining its people’s allegiance to a single political community lies in the conflicting, particularistic interests that arise with the emergence of a market-oriented, “bourgeois” society. With more than a century’s hindsight, Arendt takes a different, and darker, view of the forms those conflicting interests had taken. Even so, her account of the syndromes of political alienation that resulted from the European state’s historical failure to contain and surmount those conflicts may be regarded as an imaginative extension of the underlying concerns that had led Hegel to lay great stress on the socially integrative function of political institutions. The consonance between Arendt’s arguments and Hegel’s is no less striking with respect to her claims about the state’s still more fundamental function of sustaining a rightsbased legal order. Like Hegel, Arendt holds that the reciprocal recognition of rights among the citizens of legally constituted political community is an indispensable condition for an individual’s attainment of full human agency, so much so that a life spent outside such a community is in a sense not fully human.”
p. 108
(HEUR-STAP 2: een artikel via Philosopher's index)

Commentaar:

Arendt heeft Hegel nooit genoemd als inspirator voor haar denken. Integendeel, zij denkt dat de historische Zeitgeist-theorie niet van toepassing is wanneer we het totalitarisme willen begrijpen: deze neutraliseert het begrip immers en plaatst het definitief in het verleden.
Volgens Taso zijn er in Arendt’s ideeën over totalitarisme toch parallellen met Hegels’ denken over de staat. Arendt zag het totalitarisme als de ultieme antithese van de moderniteit, niet als haar vervulling. Hegel voorzag een gelijkaardige evolutie naar een moderne éénpartijstaat, maar trok hier minder grimmige conclusies uit dan Arendt. De politieke vervreemding die volgde uit het falen van de Europese staten, had Hegel voorspeld en zou later een centrale plaats innemen in de marxistische analyse.
Daarnaast zijn er parallellen tussen het denken van Arendt en Hegel wat betreft de functie van de staat: beiden meenden dat de voorwaarden voor het mens zijn beschermd worden door de staat. We zien hier een derde parallel met Rousseau en zijn idee over het individu dat beschermd wordt door de staat. Toch heb ik moeite met het uitgangspunt van de auteur. Zuiver conceptueel kunnen we deze parallellen maken. Maar het Hegeliaanse absolute geloof in de afwikkeling van de geschiedenis ligt ten eerste aan de basis van het marxisme, en Marx’ visioen van eeuwige gelijkheid heeft indirect mee geleid tot de Oktoberrevolutie en de communistische machtsovername, en dit systeem heeft Stalin voortgebracht. Denken we weer aan Claude Leforte: de USSR was geen “vergissing van Columbus”, het was de exacte belichaming van het leninistische ideaal. Ten tweede moeten we voorzichtig zijn om het totalitarisme te omschrijven als “antithese van”, omdat dit veronderstelt dat het totalitarisme ontstond als tegenbeweging op de moderniteit, maar niets is minder waar. Een tweede gevaar van het gebruik van deze analytische terminologie is dat we voorbijgaan aan de typering van het Nieuwe Radicale Kwaad dat het totalitarisme belichaamde en het rationaliseren als een regime dat noodzakelijkerwijs voortkwam uit Europa’s politieke geschiedenis. Tenslotte impliceert deze veronderstelling dat het totalitaire regime de logische volgende stap was in de geschiedenis. Niets is minder waar: na de Oktoberrevolutie lag de manifestatie van een werkelijke objectieve gelijkheid binnen handbereik: de machtshebbers hebben jammerlijk de verkeerde richting gekozen. Daarom is het totalitarisme geen gefaalde utopie, wel een bewust gemiste kans.

donderdag 10 december 2009

Claude Lefort en het onderscheid tussen totalitarisme en populisme

Referentie:


Abts, Koen, Rummens, Stefan, « Populism versus democracy », POLITICAL STUDIES, 2007 VOL 55, p. 405–424

Plaatskenmerk:

Eigen bibliotheek / Mijn computer

Extract:


« One obvious objection to our identification of populism with the closure of the empty place of power relates to the work of Lefort himself. Lefort, indeed, takes this closure as the starting point for his analysis of totalitarianism and not of populism. This is not a surprise, since he developed his work on democracy mainly in view of a critical analysis of post-war communist totalitarianism. In response, we agree that the fictitious image of the people-as-one is a defining characteristic that populism shares with totalitarianism.We accept, therefore, that in our analysis populism appears as a proto-totalitarian logic and we will briefly indicate some of the consequences of this affinity in our concluding remarks.
Nevertheless, we also believe that the semantic collapse of populism and totalitarianism can and should be avoided. The crucial difference between the two is that populism still respects the differences between the political domain and other domains such as the economy, law, education or culture.Totalitarianism, on the other hand, involves a project of homogenization of the people-as-one that encompasses the whole of society. In order to take this difference into account, we will therefore assume, as an additional element in our definition of populism, that populism respects the autonomy of the political sphere and restricts its attempts at a homogenization of the people accordingly.”
p.414
(HEUR-STAP 4: een artikel over het thema gevonden via de bibliografie van een gezaghebbend boek of artikel)


Commentaar:


Arendt sprak over het ontstaan van het totalitarisme als een proces waarin verschillende elementen als antisemitisme en imperalisme uitkristalliseerden tot een nieuw politiek regime. Dit proces werd versneld en gestuurd door enkele catalysators: de grote werkloosheid in Duitsland en de frustraties van WO I die nooit verdwenen waren, hebben Hitler mee in het zadel geholpen. Hoewel we momenteel niet zulk een zware recessie beleven als in de jaren ’30, zijn sommige elementen ook nu aanwezig. Het geloof in het huidige systeem en de politiek hebben een stevige knauw gekregen, we beleven een populistische politiek en bepaalde linkse denkers demoniseren openlijk de islam. Zijn dit indicatoren van de mogelijkheid van een nieuw totalitarisme? De auteurs van dit verhelderende artikel waarschuwen ervoor populisme en totalitarisme te vergelijken. Al halen politici als De Winter en Dedecker hun voordeel uit het beeld van een unitair volk tegenover een kleine basis van zakkenvullers en postjespakkers, toch ambieren ze geen overname van alle sociale en economische domeinen door de politiek. Ook al hebben hun ideeën grote invloed op de werking van onze democratie, ze kunnen er ook niet buiten. Populisten respecteren de politiek, al getuigt hun retoriek hier niet altijd van. Dat betekent niet dat duister populisme volledig onschadelijk is: ook al heeft Vlaams Belang nooit een politiek mandaat verworven, toch bepalen zij mee hoe we denken over deze maatschappij, en slaan deze ideeën des te meer aan bij laaggeschoolden die zich gepasseerd voelen in een liberale prestatiemaatschappij.

Rousseau en de dualistische verhouding van individu en staat

Referentie:


Nisbet, Robert A., « Rousseau and Totalitarianism », The Journal of Politics, Vol. 5, No. 2 (May, 1943), p. 93-114

Plaatskenmerk:

Eigen bibliotheek / mijn computer

Extract:


“So long as our vision of the Bolshevist and National Socialist states is restricted to their absolutist, non-parliamentary forms of government, the significance of Rousseau is obscured. It is in his theory of society, and in his conception of the relationship between society and the state, that we may see the germs of the philosophy underlying the modern mass-state. Granted that Rousseau's ideal was pure democracy in the realm of the political order, the social consequences of his theory of the state are nonetheless as drastic as those of any modern totalitarian philosopher. It was the achievement of Rousseau to popularize the state, to make it the all-in-all, and, in the process, to atomize the traditional forms of society which fall outside the pale of the pure state.”
p. 97
(HEUR-STAP 2: een artikel gevonden via JSTOR)


Commentaar:


Robert A. Nisbet stelt in deze publicatie de vraag of Rousseau mee de verantwoordelijkheid draagt voor de conceptuele popularisering van de totale Staat. Niet de idee zelf van een zuivere democratie, maar de drastische sociale gevolgen van deze theorie indiceren haar status als antecedent van de totalitaire ideologie. Rousseau’s radicale individualisme kwam voort uit een haat tegenover elke soort van maatschappij. Zijn ideaal van individuele vrijheid impliceert echter geen immuniteit voor controle van de staat, wel voor maatschappelijke onderdrukking. De natuurlijke toestand van de mens is er een van isolatie: elke maatschappelijke binding die hem uit dit isolement verwijdert degenereert het individu. De staat emancipeert het individu en is noodzakelijk om de mens te vrijwaren van de verplichtingen t.o.v. de tirannieke maatschappij. De gedachte dat de staat het individu enkel van zichzelf afhankelijk maakt en het individu tegen zichzelf beschermt, maakt van de staat de essentie van het potentiële zijn van de mens. Dit verleent de staat absolute heerschappij, aangezien het de individualiteit van de mens garandeert.
Conceptueel gezien is dit een geldige veronderstelling. Het is mij echter niet duidelijk of Rousseau het individu wilde afsnijden van de maatschappij, zoals de massamens in het totalitarisme wordt afgesneden van de dialoog. De massamens heeft geen maatschappelijke waarde, maar is zeker niet vrij van restricties en onderdrukking. 

Beeldpost: poging tot verbeteren van de idee in een cover

Referentie


Arendt, Hannah, Totalitarisme, Nederlandse vertaling door Dirk De Schutter en Remi Peeters. Amsterdam: Boom, 2005, 440 p. / Eigen werk

Plaatskenmerk:

Mijn computer

Extract:



Commentaar:


Tijdens mijn eerste studie Illustratieve Vormgeving was één van de opdrachten voor grafisch ontwerp om een bestaande boekcover te verbeteren. Welaan dan, laten we deze oefening hernemen en toepassen op de cover van de Nederlandse vertaling van Totalitarisme. Het coverbeeld illustreert hier immers het misverstand dat Arendt ten allen prijze wilde vermijden. De foto toont het achterhoofd van een SS’er, we zien hier dus een individu. Als we de titel er bij zien zou deze foto dus moeten verwijzen naar het totalitarisme an sich. Niets is echter minder waar: we zien hier een tiran, niét het totalitaire systeem. Bekijken we daarnaast mijn bescheiden vormoefening: een collage uit oude tijdschriften. Uiteraard is het kollosale in beide covers aanwezig. Mijns inziens wordt het totalitaire systeem als zodanig, waarin het individu volledig geisoleerd wordt, hier duidelijker verbeeld. Bekijken we nogmaals de echte cover: als we hieruit moeten afleiden dat déze SS’er het totalitaire regime illustreert, impliceert dit dat de verantwoordelijkheid voor Auschwitz bij déze SS’er ligt. Waarschijnlijk verwijst dit hoofd niet enkel naar hém maar naar de hele SS, of het hele totalitaire staatsapparaat. Zelfs dan wordt de verantwoordelijkheid afgeschoven naar één regime, dat we hopelijk nooit meer terugzien.
Koppelen we deze gedachte aan het argument van Prins over de noodzakelijke afwikkeling van de geschiedenis, dan lijkt dit argument al helemaal ongeldig. Hoe kunnen we immers beweren dat het totalitarisme geen eenmalig fenomeen is, maar een exces van de tirannie, en tegelijkertijd volhouden dat dit regime voor altijd tot de duistere krochten van het verleden behoort?

John Talmon over Links en Rechts Totalitarisme

Referentie:


Talmon, J.L., The Origins of Totalitarian Democracy. London: Mercury, 1961. 366 p.

Plaatskenmerk:

MAG-UIA-B 2640

Extract:


“While the starting point of totalitarianism of the Left has been and ultimately still is Man, his reason and salvation, that of the Right totalitarian schools has been the collective entity, the State, the nation, or the race. The former trend remains essentially individualist, atomistic and rationalist even when it raises the class or party to the level of absolute ends. These are, after all, only mechanically formed groups. Totalitarians of the Right operate solely with historic, racial and organic entities, concepts altogether alien to the individualism and rationalism. [...]
For reason is a unifying force, presupposing mankind to be the sum total of individual reasoning beings. Totalitarianism of the Right implies the negation of such a unity as well as a denial of the universality of human values. [...]
The second vital difference bethween the two types of totalitarianism is to be found in their divergent conceptions of human nature. The Left proclaims the essential goodness and perfectibility of human nature. The Right declares man to be weak and corrupt. [...] The Right teaches the necessity of force as a permanent way of maintaining order among poor and unruly creatures, and training them to act in a manner alien to their mediocre nature.” P 6-7
(HEUR-STAP 3: een boek over het thema gevonden via de UA-catalogus)

Commentaar:


Ook bij deze publicatie wordt het verschil met Arendt’s ideeën al duidelijk in de titel: Arendt spreekt nooit over een totalitaire democratie: het totalitarisme is essentieel verschillend van de democratie. Talmon tracht dit regime te verklaren vanuit een historische opvatting, terwijl Arendt een Heideggeriaanse ontologische methode toepast. Dit heeft niet enkel gevolgen voor de loop van het onderzoek, maar ook voor de inzichten die daar uit voortkomen. Talmon somt in dit hoofdstuk de verschillen op tussen Links en Rechts totalitarisme op. Deze opsomming lijkt te zinspelen op “verzachtigende omstandigheden”: al hebben zowel nazisme als stalinisme vernietigende sporen nagelaten, toch was het Linkse totalitarisme de mens beter gezind dan de corrigerende logica van het Rechtse totalitarisme.




Michael Halberstam over het oorspronkelijke plan van de totalitaire heersers

Referentie:


Halberstam, Michael, « Totalitarianism as a Problem for the Conception of Modern Politics », Political Theory, Vol. 26, No. 4 (Aug., 1998), p. 459-488

Plaatskenmerk:


Eigen bibiliotheek / Mijn computer

Extract:


"The extreme social transformation pursued by totalitarian movements does not attempt a reactionary return to past social and political structures, nor a simple coup d' etat, but it expresses the aspiration toward a complete and unprecedented reconstruction of society. Moreover, totalitarian movements share in the belief-implicit in the ideal of emancipation-that the intellectual context legitimizing a particular social order can be determined by human construction as well. They take the idea of an intellectual reconstruction of the ideological basis of society to its extreme. Totalitarian movements propagate an ideology and produce it in the form of propaganda, with the intention of galvanizing the intellectual climate of public discourse to such an extent that all outside reference points disappear."
p. 465
(HEUR-STAP 2: een artikel via Philosopher's Index)

Commentaar:


Dit extract illustreert de moeilijkheden die opduiken wanneer we totalitarisme trachten te definiëren als een antithese op of een synthese van bestaande politieke systemen. Het totalitarisme manifesteert zich immers niet vanuit een staatsgreep of een revolutie. Hitler is democratisch verkozen door de Duitse natie, Stalin heeft zijn leiderschap binnen de communistische partij legitiem verworven. Anderzijds was, hoewel sommige auteurs hierover van mening verschillen, de intentie om het volledige zijn van de staat en de natie om te vormen tot een zuiver ideologische maatschappij al van het begin aanwezig. In die zin kunnen we betwijfelen of de uitkomst van Stalin’s regime als idee wel zover verwijderd is van het leninistische ideaal. Uit de jacht op de communisten na de brand in de Reichstag kunnen we concluderen dat de nazipartij een volledige reconstructie van de maatschappij ambieerde, die in de geschiedenis zijn precedent niet kent.



Claude Lefort over de totalitaire logica en structuur

Referentie:


Lefort, Claude, The political forms of modern society. Bureaucracy, Democracy,Totalitarianism, Cambridge: Polity Press, 1986. 342 p.

Plaatskenmerk:


PSW 321 G-LEFO 86

Extract:


“This is apparent in the inability of socialists to conceptualize the nature of the Soviet regime. As soon as they saw private property abolished, as soon as class antagonism could no longer be deciphered in the known context of capitalism, their thinking was disarmed. They were quite capable of concluding that the Soviet state was loaded with vices; but they could identify nothing more than vices, whose origins were imputed to accidents of history. The Left lacked a theory over the State, or more profoundly still, a conception of political society. And, by the same token-a fact too seldom noticed-it proved to be incapable of interpreting the evident signs of the exploitation of workers and peasants, the signs of class division, which were being produced by new relations of production. Because they had circumscribed the sphere of reality within the limits of the economy, they were blind to the structure of a system which was explicitly embedded in the political system.”
p. 277
(HEUR-STAP 3: een boek over het thema gevonden via de UA-catalogus)

Commentaar:


In het hoofdstuk “The logic of totalitarianism” zegt Leforte dat tegenstanders van het fascisme en het nazisme tijdens het interbellum hun strijd zagen als zuiver antifascistisch. Er zijn bijzonder weinig bronnen die ondersteunen dat men toen al gewag maakte van een totalitair regime. Uiteraard maakte men zich in het buitenland zorgen over de evolutie van Duitsland naar een éénpartij-staat, maar zeer zelden sprak men al over de totale Staat. Bovendien heeft het lang geduurd voor de linkse politieke beweging de term heeft willen gebruiken, aangezien de idee om nazisme, fascisme en bolsjevisme te definïeren als “totalitair” uit de rechtse beweging kwam. Pas na de oorlog, tijdens het ideologische conflict tussen het Westen en de USSR, ontstond er een brede liberale basis die het stalinisme bestempelde als totalitair. Veel linkse denkers, waaronder Sartre, hebben de misdaden van het stalinisme zelfs lang ontkend of geminimaliseerd. Buitenlandse waarnemers waren niet in staat om zich een begrip te vormen van de immense omvang van de verandering  die zich voltrok, noch van de radicale impact van haar consequenties op het welbevinden van de burger. Door het sociale isolement dat eigen is aan het totalitarisme, waren veel Duitse burgers zich hier evenmin ten volle van bewust, waarvan getuige het vaak gehoorde excuus “wir haben es nicht gewusst”. De terreur van het regime voltrok zich buiten de zichtbare realiteit: wanneer een individu wordt afgesneden van de dialoog en geen werkelijkheid meer deelt met anderen, wordt het onmogelijk om weet te hebben van het leed dat een ander wordt aangedaan. Dit is wederom een belangrijk verschil met de dictatuur: onder Franco en Mussolini was de terreur veel zichtbaarder, omdat ze zich grotendeels voltrok in de publieke ruimte.

De folterscéne van George Orwell

Referentie:


Orwell, George, Nineteen Eighty-Four. New York, N.Y.: Penguin Books, 1954, 251 p.

Plaatskenmerk:


Persoonlijke bibliotheek

Extract:


“‘(...)You pretended that you had seen a piece of paper, which proved these treachers innocent. No such piece of paper ever existed. You invented it, and later you grew to believe in it. You remember now the very moment at which you first invented it. Do you remember that?’
‘Yes.’
’Just now I held up the fingers of my hand to you. You saw five fingers. Do you remember that? ‘
’Yes.’
O’Brien held up the fingers of his left hand, with the thumb concealed.
‘There are five fingers there. Do you see five fingers?’
’Yes.’”
p. 207

Commentaar:


Orwell schetste in Nineteen Eighty-Four een coherent beeld van een mogelijke totalitaire samenleving.  Deze naoorlogse novelle uit 1954 is van groot belang geweest voor de vorming van het begrip totalitarisme in de publieke opinie. De verfilming van de folterscéne waarin verdachte Winston ondervraagd wordt door O’Brien is bijna ondraaglijk. Dit fragment illustreert als geen ander wat de gevolgen kunnen zijn van psychologische terreur en folterpraktijken: men kan een individu werkelijk alles doen zeggen én denken. De eigen waarneming heeft geen enkele waarde, zoals het voorbeeld van de opgestoken vingers illustreert: de enige waarheid die bestaat is die van de ideologie. Eens het duidelijk is dat het regime tot zulke terreur in staat is, zal de gehele bevolking door anticipatie zich aanpassen aan deze waarheid. Door enkele individuen te corrigeren, corrigeert het regime de hele samenleving.

Arendt over de vlucht in het verleden

Referentie:


Arendt, Hannah, Totalitarisme, Nederlandse vertaling door Dirk De Schutter en Remi Peeters. Amsterdam: Boom, 2005, 440 p.

Plaatskenmerk:

Persoonlijke bibliotheek

Extract:

“We kunnen het ons niet langer veroorloven om alleen het goede uit het verleden als onze erfenis te beschouwen, terwijl we het slechte wegwerpen en het eenvoudig beschouwen als dood gewicht dat vanzelf door de tijd zal worden begraven en vergeten. De onderaardse stroom van de westerse geschiedenis is eindelijk aan de oppervlakte gekomen en heeft beslag gelegd op de waardigheid van onze traditie. Dit is de werkelijkheid waarin wij leven. En daarom zijn alle pogingen om het grimmige verleden te vergeten- hetzij door nostalgisch weg te vluchten naar een ongerept verleden, hetzij door onder te duiken in een betere toekomst-, vergeefs.” p. 42 (HEUR-STAP 1: een gezaghebbend boek uit de bibliografie van een encyclopedie-artikel)

Commentaar:

Met het vorige artikel vers in het geheugen kijken we nog eens naar het voorwoord van Totalitarisme.  We hebben inderdaad de neiging om de waanzin van ons verleden te omschrijven als faits divers. Ook de verantwoordelijkheid voor de kruistochten nemen we niet graag op ons, we spreken zelfs over een periode van honderden jaren als de duistere middeleeuwen, als betrof het hier slechts een kort intermezzo in de eeuwigdurende glorie van onze westerse cultuur. De benadering van Prins is eigenlijk een vluchtroute, die blijk geeft van een onvermogen om de krankzinnige waanzin van het nazisme en stalinisme te plaatsen. Hoezeer we ook willen geloven dat totalitaire regimes voorgoed tot het verleden behoren, toch maken zij evenzeer deel uit van onze wereld en kunnen zij zich opnieuw manifesteren. Er is hier wel degelijk iets gebeurd waar we niet zomaar aan voorbij kunnen, we zijn gedwongen om stil te staan en onze werkelijkheid in zijn volledigheid in aanschouwing te nemen.

Over het geloof dat alles mogelijk is

Referentie:

Peeters, Remi, ‘About the Belief that Everything is Possible. Hannah Arendt’s Analysis of Totalitarianism’. Budhi. A Journal of Ideas and Culture, 2002, Vol. VI, nr. 2&3, p. 51-75.

Plaatskenmerk:

Persoonlijke bibliotheek

Extract:

“Precisely because she wanted ‘to describe the totalitarian phenomenon as occurring, not on the moon, but in the midst of human society’ (R, 79), Arendt has given up the attempt to write a history of totalitarianism. She has tried instead ‘to discover the chief elements of totalitarianism’ – meant are anti-Semitism and imperialism – ‘and to analyse them in historical terms, tracing these elements back in history as far as I deemed proper and necessary. […] The book […] gives a historical account of these elements which crystallized into totalitarianism, this account is followed by an analysis of the elemental structure of totalitarian movements and domination itself.”(dl.1)“To begin with, it should be noted that elements are not causes. Arendt warns for the misunderstanding, partly due to the term Origins in the title of the American edition, that she tried to detect the causes that, with an iron logic, would have led to totalitarianism. Arendt clearly does not believe that necessity is at work in history. Indeed, to the extent that such a view (e.g. in the form of a scenario of progress or doom) incites people to experience themselves as the plaything of anonymous and superhuman forces and to forsake their responsibility for the world, it already forms a part of the totalitarian syndrome. The crystallisation of elements, scattered all over Europe, into totalitarian forms was neither a matter of inevitable necessity nor of blind accident.”(dl.2)  (p. 53)

Commentaar:

Remi Peeters weerlegt hier de kritiek van W.B. Prins op Arendt’s historische methode en maakt gewag van een misverstand. We interpreteren The Origins of Totalitarianism verkeerd wanneer we denken dat Arendt de verschillende oorzaken van het totalitarisme zou hebben willen blootleggen. Vanuit een Hegeliaanse Zeitgeist-opvatting zou dit immers impliceren dat deze oorzaken onvermijdelijk tot het ontstaan van het totalitarisme geleid hebben en dat deze regimes m.a.w. historisch noodzakelijk waren. Deze opvatting legt de verantwoordelijkheid voor de wereld buiten menselijke handen, wat Arendt sterk aanvecht. De elementen die beschreven werden in deel I (Antisemitism) en deel II (Imperialism) van The Origins of Totalitarianism zijn uitgekristalliseerd tot totalitaire structuren, zonder dat dit onvermijdelijk was.
Wat we hier uit kunnen onthouden is dat Arendt de menselijke keuze centraal plaatst: we kunnen de verantwoordelijkheid voor de gruwelen van Auschwitz niet zomaar toewijzen aan de noodzakelijke loop der geschiedenis. Deze misdaden zijn uitgevoerd door mensen, die zich ten volle bewust waren van de consequenties van hun daden.

Karl Popper over Plato en de privileges van de heersende klasse

Referentie:


Popper, Karl, De open samenleving en haar vijanden, Nederlandse vertaling door Hessel Daalder en Steven Van Luchene, Rotterdam: Lemniscaat, 2007. 940 p.

Plaatskenmerk:


FILO 19.8 P-POPP 2007

Extract:


 “’Wat zijn dan volgens jou de echte [filosofen]? –Zij die begerig zijn naar het schouwspel van de waarheid’, lezen we in De staat. Maar zelf doet hij de waarheid enigzins geweld aan als hij dit zegt. Hij gelooft er niet echt in, want elders verklaart hij boudweg dat het een van de koninklijke privileges van de soeverein is om naar hartenlust gebruik te maken van leugens en bedrog. ‘Indien het dus iemand toekomt te liegen, dan zeker aan de leiders van de staat tegenover vijanden of medeburgers, met het oog op het welzijn van de staat: alle anderen moeten dat echter niet doen.’
‘Met het oog op het welzijn van de staat’, zegt Plato. Opnieuw zien we dat dit appel op het principe van het collectieve nut de ultieme ethische overweging is. De totalitaire ethiek overheerst alles, zelfs de definitie, de Idee, van de filosoof. Het behoeft nauwelijks betoog dat de onderdanen, op grond van hetzelfde beginsel van politiek opportunisme, verplicht zijn de waarheid te vertellen. ‘Als dan de heerser iemand in de stad op een leugen betrapt, [...] dan zal hij hem straffen als iemand die, in wat ik zou noemen het schip van staat, een handelswijze invoert die leidt tot omslaan en vergaan.’”
p.169
(HEUR-STAP 1: een gezaghebbend boek uit de bibliografie van een encyclopedie-artikel)

Commentaar:


Nemen we in achting dat Plato’s Ideale Staat gedacht moet worden als een utopie, en wij haar enkel totalitaire kenmerken kunnen toekennen vanuit een retrospectief standpunt. In vergelijking met Eric Brown is Popper heel wat minder mild tegenover Plato’s ideeën over de Ideale Staat. Popper vertrekt al van de vaststelling dat deze staat gekenmerkt wordt door een totalitaire structuur. Zo haalt hij aan dat de heersende klasse van de herders en de waakhonden strikt gescheiden moeten zijn van het menselijke vee, en beschrijft de scherpe voorwaarden voor wie deel kan uitmaken van deze heersende klasse. (“Heersers en hun waakhonden”: we hebben niet zoveel verbeelding nodig om te denken aan de privileges van de Gestapo.) De heersers hebben andere privileges dan het plebs, en mogen gebruik maken van leugens om de waarheid te verdedigen, terwijl zij leugens tegelijk legitiem mogen bestraffen. Popper spreekt dan ook over een “totalitair rechtvaardigheidsbegrip” bij Plato.
Popper gelooft wel in de oprechtheid van Plato’s zogenaamde totalitarisme, dat in dienst staat van een stabiele klassenheerschappij. Plato verlangde naar een onbetwistbare overheersing door één klasse over de rest, maar streefde (om zuiver utilitaristische redenen) níet naar een maximale uitbuiting van de werkende klasse door de heersende klasse.
Dit hele betoog dient echter een pleidooi voor een open, liberale samenleving. Kunnen we echter zomaar aannemen dat onze samenleving volledig vrij is van machtsstructuren die beantwoorden aan Plato’s idee van een Ideale Staat? Of dient Poppers’ pleidooi een heel andere motivatie, namelijk het aantonen van de goede intenties van een hedendaagse, zeer reële heersende klasse? Uiteraard zijn we in onze hedendaagse maatschappij, in tegenstelling tot de burgers onder het stalinisme, niet afgesneden van dialoog en pluraliteit. De hedendaagse heersende klasse vertelt echter ook leugens, bepaalt evenzeer wat wel en niet gezegd kan worden, ook vandaag zijn er “waakhonden” die ons handelen corrigeren, ook vandaag zijn er bestaande hiërarchiën  die bepalend zijn voor de maatschappelijke waarde van een individu.

Plato en het totalitarisme

Referentie:


Brown, Eric, “Plato Ethics and Politics in The Republic”, Stanford Encyclopedia, http://www.science.uva.nl/~seop/entries/plato-ethics-politics/#4.4 (geraadpleegd op 02.12.2009)

Plaatskenmerk:

plato.stanford.edu

Extract:


“In the Republic, the good of the city and the good of the individual are independently specifiable, and the citizens' own maximal good coincides with the maximal good of the city. Since Plato believes that this coincidence is realized only through propagandistic means in the ideal city, then the propaganda is paternalistically targeted at the citizens' own good but not exclusively at the citizens' own good. On this view, if the citizens do not see themselves as parts of the city serving the city, neither the city nor they will be maximally happy. […] Kallipolis has more clearly totalitarian features. First, totalitarian regimes concentrate political power in one bloc and offer the ruled no alternative. The ideal city of Plato's Republic is plainly totalitarian in this respect.”
(HEUR-STAP 3: een artikel gevonden via filosofie op internet)

Commentaar:


Dit artikel beschrijft de ethica van Plato in De staat. Het is bekend dat Plato’s ideeën en het neoplatonisme tot de dag vandaag ook minder frisse historische figuren en regimes ter verantwoording gediend hebben. Eric Brown onderzoekt in het hoofdstuk Totalitarianism of we sommige van Plato’s ideeën over een ideale staat als totalitair zouden kunnen interpreteren. Hoewel het verleidelijk is deze stelling te ondersteunen en Plato af te schilderen als een “rechts filosoof”, spreken er meer argumenten in het voordeel van Plato dan in zijn nadeel. Ten eerste kan men dit maar beweren vanuit een retrospectief standpunt: in de Oudheid was er geen sprake van totalitarisme. Het idee van de “koning filosoof” is de eerste “ideale staatsvorm” die door een filosoof geopperd werd. Uiteraard spreekt deze idee tegen de democratie en kunnen we deze (met een beetje goede wil) zelfs linken aan het hedendaagse duister populisme. In een democratie hoort de plaats van de macht zelf leeg te zijn: populisten zien deze liever bezet door de eenzijdige idee van “het volk”, Plato plaatst hier een “koning-filosoof”. Hij beschrijft echter een ideale, utopische staat die enkel in de wereld der ideeën kan bestaan. Daarnaast kunnen we ons de vraag stellen in welke mate een koning-filosoof werkelijk zou regeren. Dit kan immers enkel onder de voorwaarde dat het regeren om elf uur ‘s ochtends gedaan is zodat de rest van de dag besteed kan worden aan de studie der ideeën, en de bevolking zich ondertussen rustig houdt zodat de koning niet gestoord wordt tijdens zijn studie. Dit machtsconcept leunt echter eerder aan bij een tirannie, en steunt mogelijk op de verzuchting dat in zo’n staatsvorm het overbodige, dat eigen is aan onze werkelijkheid, makkelijk geëlimineerd zou kunnen worden om zo de burgers te leiden naar het Goede. Op geen enkel moment oppert Plato hier echter dat de tegenstanders van de Koning Filosoof planmatig geëlimineerd moeten worden. Socrates beweerde zelf dat de niet-filosofen tot de beslissing zouden moeten komen dat het aan de filosofen is om te regeren, aangezien zij het Goede het beste kennen. De niet-filosofen zouden hier ook van overtuigd moeten worden door de bijzondere deugd van de filosofen. Let wel dat Plato nu eens sprak over meerdere heersers en dan weer over één: toch zou deze niet zomaar de macht grijpen of een regime installeren, maar democratisch verkozen moeten worden.  

De massamens in het totalitarisme

Referentie:


De Schutter, Dirk, Het ketterse begin: Arendt over de filosofie van het actieve leven, Budel: Damon, 2005, 144 p.

Plaatskenmerk:


FILO 19.8 N-AREN-SCHU 2005

Extract:

“Het totalitarisme is volgens Arendt een verschijnsel van de massamaatschappij. Het doet zich voor op het moment dat de burgers elk klassenbewustzijn verliezen, door geen enkele partij aangesproken worden en zich uit elk sociaal net werk verstoten voelen. Deze geïsoleerde individuen lijken ondanks hun heterogene verscheidenheid sterk op elkaar: ze staan onverschillig tegenover sociale verplichtingen, ze zijn niet georganiseerd en niet geïnteresseerd in politiek en worstelen met het gevoel volkomen overbodig te zijn en nergens thuis te horen. (...) Het totalitaire individu verlangt er bovenal naar niemand te zijn, geen standpunt te hebben, geen mening te vertolken en als een radertje te functioneren in de reusachtige machine van de massamaatschappij. De massamens heeft eindelijk een plaats in de maatschappij gekregen, maar het is geen plaats die hij veroverd heeft, of waarvoor hij zich ingezet heeft, het is niet zijn plaats die hem toekomt, het had even goed een andere plaats kunnen zijn of het had even goed gekund dat een ander zijn plaats had gekregen. De massamens heeft een plaats verworven, maar op geen enkel moment heeft hij het gevoel gekregen van betekenis te zijn of mee te tellen, op geen enkel moment heeft hij interesse betoond of onverschilligheid afgelegd, op geen enkel moment heeft hij de ervaring opgedaan dat de plaats die hij bekleedt, iets met hem, met zijn persoonlijkheid of met zijn leveninstelling te maken heeft.” p.128
(HEUR-STAP 3: een boek over het thema gevonden via de UA-catalogus)

Commentaar:


De verlatenheid waarvan al sprake in het vorige artikel, wordt hier door Dirk De Schutter (vertaler van Hannah Arendt) gespecifieerd. De verlatenheid toont zich in de atomaire structuur van deze maatschappij waarin burgers door een sociaal vacuüm van elkaar gescheiden worden. Het individu is volledig inwisselbaar en gelooft geen enkele waarde te hebben. Het individu krijgt daar geen gemeenschapsgevoel voor in de plaats: integendeel, het individu verwordt tot een massamens die afgesneden wordt van de pluraliteit en de dialoog. Dit heeft onmiddelijke consequenties voor het denken: het vrije denken moet plaats maken voor de logica van de heersende ideologie. Alles wat hier niet in past wordt weggeredeneerd. Dit is in essentie een radicale vrijheidsbeperking en een regelrechte aanslag op de mens: het totalitaire systeem tast de mogelijkheden van het denken en van de ervaring aan.

dinsdag 8 december 2009

Theorieën over het Totalitarisme na 1945

Referentie:


Historisches Worterbuch der Philosophie. Joachim Ritter e.a. (Hrsg.), Basel: Schwabe,  1971-2005, 12 vols.

Plaatskenmerk:


FILO 10 A-RITT 71

Extract:


Die T.-Theorie nach 1945. –Die beiden einflusreichsten Abhandlungen entstanden erst in der Nachkriegszeit: H.ARENDTS ‘Origins of Totalitarianism’(1951) und C.J. FRIEDRICHS und Z.BRZEZINSKIS ‘Totalitarian Dictatorship and Autocracy’ (1956). Während ARENDT unter Einbeziehung existenzphilosophischer Überlegungen die historischen Elemente und Voraussetzungen des T. wie Antisemitismus, Rassismus, Imperialismus, Panbewegungen, Niedergang des Nationalstaates, Untergang des Klassengeselschaft, Entstehung der Masse vorführte, um damit sowohl die Anfälligkeit des vereinsamten Massenmenschen für “totalitäre Bewegungen”, “totalitäre Propaganda” und “totale Organisationen” als auch die einzelnen Bestandsteile totalitärer Herrschaft (Staatsapparat, Geheimpolizei, Konzentrationslager, Ideologie und Terror) verständlich zu machen [42], entwickelten FRIEDRICH/BRZEZINSKI einen auf empirische Überprüfbarkeit angelegten Katalog von sechs grundlegenden, in wechselseitiger Beziehung stehenden Merkmalen totalitärer Diktatur: “ideology, a single party typically led by one man, a terroristic police, a communications monopoly, a weapon monopoly, and a centrally directed economy”[43].” p 1298

Commentaar:


Als startpunt voor deze blog is het nuttig het naoorlogse begrip totalitarisme af te bakenen aan de hand van het Historisches Worterbuch der Philosophie. We bekijken hier specifiek de gedachtengang rond totalitarisme, die na 1945 op gang is gekomen. Het boek van Friedrich en Brzezinski is in de UA-bibliotheek niet te vinden, ook van de afzonderlijke auteurs zijn er enkel in het magazijn nog publicaties voor handen. Hannah Arendt’s werk is daarentegen brandend actueel: haar werk neemt samen met de auteurs die over haar geschreven hebben een lijvige plaats in in de rekken van de filosofische bibliotheek. Ik zal mijn onderzoek dan ook laten leiden door de implicaties van haar reflecties over het totalitarisme.
Een essentieel verschil tussen Arendt en Friedrich/Bzrezinski toont zich al in de titel Totalitarian Dictatorship and Autocracy. Arendt heeft altijd benadrukt dat het totalitarisme zich radicaal onderscheidt van de dictatuur of de tirannie. Ze gaat daarmee in tegen een aantal denkers zoals Friedrich of J.L. Talmon, die het totalitarisme kenmerken als een ideologische politiestaat, die slechts in enkele opzichten verschilt van de dictatuur. De consequenties van dit conflict reiken zeer ver en beinvloeden o.a. hoe we denken over de latente mogelijkheid van een herhaling van de terreur in nazi-Duitsland en stalinistisch Rusland.
(HEUR-STAP 0: Thematische afbakening via naslagwerk)

woensdag 2 december 2009

De verlatenheid in het totalitarisme

Referentie:

Arendt, Hannah, Totalitarisme, Nederlandse vertaling door Dirk De Schutter en Remi Peeters. Amsterdam: Boom, 2005, 433 p.

Plaatskenmerk:

Persoonlijke bibliotheek

Extract:

"Het totalitarisme onderscheidt zich daarin van alle ons bekende regimes dat het een nooit vertoonde aanslag pleegt op de menselijke vrijheid en spontaniteit, en elke denkbare vorm van zinvol menszijn en menselijke gemeenschap vernietigt. De onvergeeflijke misdaad van het totalitarisme bestaat erin dat het de verlatenheid, die nu eenmaal des mensen is en bij uitstek in het sterven wordt ervaren, schandelijk misbruikt door deze uitzonderingsconditie uit te vergroten tot een alledaagse werkelijkheid, ze in te schakelen in een systeem van terreur en ze ten grondslag te leggen aan de politieke organisatie van het samenleven. Totalitarisme is de enige regeringsvorm waarmee in geen opzicht te leven valt. Het noopt radicaal tot verzet."
p7
(HEUR-STAP 1: een gezaghebbend boek uit de bibliografie van een encyclopedie-artikel)

Commentaar:

In de inleiding van deze vertaling van Hannah Arendt's "Totalitarianism", deel III van haar magnum opus The Origins of Totalitarianism uit 1951, formuleren Remi Peeters en Dirk De Schutter de conclusies die Arendt trok uit haar immense studie van het totalitarisme. Arendt werkte een conceptueel kader uit voor een fenomeen dat in onze geschiedenis geen precedent kent, en de politieke categorieën en morele beoordelingscriteria van onze westerse cultuur letterlijk heeft verpulverd.
Arent legt doorheen het boek de nadruk op de uniciteit van het nazisme en stalinisme, die onmogelijk kunnen ingedeeld worden bij de uit de geschiedenis bekende vormen van tirannie of dictatuur.