Posts tonen met het label PLATO. Alle posts tonen
Posts tonen met het label PLATO. Alle posts tonen

zaterdag 12 december 2009

Plato en de Koning-Krijger-Filosoof

Referentie:

Plato, The Republic, With an English Translation by Paul Shorey, Ph.D, LL.D, LITT. D., vol II, London : William Heinemann LTD, 1935

Plaatskenmerk:

MAG OW-A 18775:2

Extract:

“’Very good. We are agreed then, Glaucon, that the state which is to achieve the height of good government must have community of wives and children and all education, and also that the pursuits of men and women must be the same in peace and war, and that the rulers or kings over them are to be those who have approved themselves the best in both war and philosophy.’’We are agreed’, he said.”(dl. 1) p. 235, hfdst I BOOK VIII
“’And indeed,’ said he, “I am eager myself to hear what four forms of government you meant.’ ‘There will be no difficulty about that,’ said I. ‘For those I mean are precisely those that have names in common usage: that which the many praise, your Cretan and Spartan constitution; and the second in place and in honour, that which is called oligarchy, a constitution teeming with many ills, and its sequent counterpart and opponent, democracy; and then the noble tyranny surpassing them all; the fourth and final malady of a state. Can you mention any other type of government, I mean any other that constitutes a distinct species?”
(dl. 2) p. 239, hfdst I BOOK VIII
(HEUR-STAP 4: een boek gevonden via de bibliografie van een gezaghebbend artikel)

Commentaar:

Het eerste deel van dit extract toont Plato’s dubbelzinnige houding t.o.v. de figuur van de filosoof: hij moet zijn leven volledig wijden aan het schouwen, en heeft dus een wereldvreemde houding tegenover de werkelijkheid. Toch is hij het die het meest gekwalificeerd is om te heersen én om te beslissen over oorlog. Hoe moeten we figuur van de wereldvreemde filosoof en de handelende krijger verenigen? Plato ziet dit alles als deel van het denken: handelen bestaat voor Plato enkel in de zin van menselijke arbeid. We vinden echter geen antwoord op de vraag hoe de filosoof dit zou verwerkelijken, enkel dat hij voor deze taak het meest geschikt is.
Het tweede deel toont dat Karl Popper misschien toch bepaalde argumenten over het hoofd heeft gezien bij zijn oordeel over Plato. De tirannie wordt in dit fragment immers omschreven als een kwaal, de slechtste van de vier bestaande Griekse staatsvormen (de staatsvormen van de barbaren worden hier als vreemd verworpen). De democratie wordt hoger geacht dan het falende concept van de oligarchie. In deze zin doelt Plato met zijn Ideale Staat allesbehalve op een dictatuur. Toch valt het op dat hij de burgers van de Staat zag als invulbaar en corrigeerbaar, in die zin geloofde hij in een soort van sociale reconstructie. Plato stoort zich er aan dat er nog meer verschillende menselijke karakters met verschillende meningen bestaan dan er regeringsvormen zijn. In die karakters maakt hij ook een onderscheid tussen hogere en lagere types, en plaats hij aristocraten bovenaan deze ladder. In zekere zin ijvert Plato ervoor dat bepaalde klassen homogener zouden moeten zijn.
Toch mogen we voor we oordelen over deze associaties niet de context van de dialoog uit het oog verliezen: het gaat hier om een gesprek waarin hypotheses van een staat beredeneerd worden. Vanuit Plato’s puur denkende positie kunnen we geen van deze ideeën interpreteren als van toepassing op onze wereld. We zien hier wel de scherpe tegenstelling met Arendt’s idee dat de politiek onderdeel is van het handelen, een handelen dat zij bovendien onderscheidt, zowel van de poesis als van het arbeiden. Dit veronderstelt eveneens dat in de reële wereld denken en handelen samengaan en interageren, iets wat Plato net lijkt tegen te spreken. Hoe kunnen we echter spreken over het bestuur van een staat zonder een handelen dat voortkomt uit het denken, m.a.w.: als in het arbeiden weerspiegeld moet zijn wat het denken goed acht, waar is dan de brug tussen wetgeving en uitvoeren? Hoe kan de burger weten wat de heerser wil?


donderdag 10 december 2009

Pleidooi voor populisme

Referentie:


Van Reybrouck, David, Pleidooi voor populisme. Amsterdam: Querido, 2008. 79 p.

Plaatskenmerk:

MAG-OW-B 55774

Extract:


“Vermits een democratische samenleving een open samenleving is waarin telkens nieuwe vragen naar een oplossing verlangen, kan en mag de plaats van de macht nooit definitief ingevuld worden. Het openhouden van politieke macht garandeert de democratische openheid van de samenleving.
Voor de populist hoeft de troon echter niet vacant te blijven. Integendeel, hij wil er het liefst het volk op zien zetelen, het eenduidige volk waarvan hij de spreekbuis is. Hij weet het volk wil, en dat moet volstaan. Daardoor duldt hij geen tegenspraak, daardoor heeft hij een gloeiende hekel aan het debat. Het parlement, de grondwet, de gebruikelijke democratische procedures zijn voor hem eerder hindernissen dan politieke verworvenheden. In die betekenis is populisme in wezen antidemocratisch en antiparlementair; sommigen spreken zelfs van ‘proto-totalitair’. Dit duistere populisme miskent het wezen van de democratie, miskent het bestaan van uiteenlopende belangen binnen een en dezelfde samenleving en weigert te geloven dat onder de noemer van ‘het volk’ altijd diverse en onverzoenbare tegenstellingen schuilgaan.’
p.13
(HEUR-STAP 3: een boek over het thema gevonden via de UA-catalogus)

Commentaar:


Van Reybrouck onderzoekt in dit boek het hedendaagse populisme en brengt de verontrustende maatschappelijke oorzaken in kaart van het duistere populisme. Misschien zijn de gronden waarop populisten de democratie verwerpen, vergelijkbaar met Plato’s motieven om het heersen over te laten aan de filosofen. Waarom rekening houden met tergend trage democratische procedures, als we weten wat het beste is voor het volk? We moeten het volk leiden naar het Goede, en uiteraard weten we wat het beste is voor “het volk”. Dit veronderstelt echter een homogeen “volk”, waarbinnen geen uiteenlopende meningen of belangen kunnen bestaan. Alle Vlamingen vinden flitspalen hinderlijk, dus alle Vlamingen vinden snelheidsbeperkingen nutteloos. Deze logiciteit miskent de fundamenten van de democratie en reduceert de idee van “het volk” tot een monistische entiteit: in deze zin kunnen we populisme met recht ‘proto-totalitair’ noemen. Eén van de moeilijkste opdrachten van de democratie is haar te verdedigen in het volle besef dat sommige spanningen nooit opgelost kunnen worden. Dit zijn echter spanningen die we moeten verduren, willen we niet afgesneden worden van de principes van vrijheid en pluraliteit. Toch zijn er ook aan onze diplomademocratie (een term van Mark Bovens) minder democratische kantjes: zo bestaat het parlement bijna uitsluitend uit hoogopgeleiden en voelen laagopgeleiden zich met recht gepasseerd wanneer het over politiek gaat: hun verzuchtingen worden immers al snel afgedaan als niet relevant voor het hedendaagse politieke verhaal. Vanuit Arendt’s begrip van actie is het handelen van onze politici niet volledig democratisch geldig, aangezien zij hun stellingen in het parlement enkel hoeven te verantwoorden aan hoogopgeleiden doordat laaggeschoolden in ons parlement zeer beperkt gerepresenteerd worden.

La fille de Thrace et le penseur professionel: Jacques Taminiaux over Arendt en Heidegger

Referentie:


Taminiaux, Jacques, La fille de Thrace et le penseur professionnel. Paris: Editions Payot, 1992. 246 p.

Plaatskenmerk:

Persoonlijke bibliotheek

Extract:


“Le monde auquel se rapporte le comportement quotidien est un monde ambiant, un Umwelt, qui se présente comme un contexte fonctionnel sur le fond duqel aparaissent des ustensiles en général, des entités qui valent comme moyens pour des fins diverses. Cet environnement est le corrélat intentionnel d’un comportement préoccupé dont le trait fondamental réside dans l’activité de production. Ce monde quotidien est dit inauthentique chez Heidegger en tant que la production et la préoccupation qui l’animent n’ont d’yeux que pour des étants dont le mode d’être n’est pas celui du Dasein. En revanche, le monde, au sens propre ou authentique, s’annonce lorsque la stabilité et la sécurité de l’environnement sont ébranlées, réduites à néant, comme lorsque des outils se brisent, cessent de fonctionner ou s’avèrent impropres à l’usage. Cette rupture annonce-mais annonce seulement- la véritable experiénce du monde. »
p. 27

Commentaar:

Taminiaux gebruikt Plato’s ironische anecdote over Thales als uitgangspunt voor een vergelijkende analyse van het denken van Arendt en Heidegger. Uit dit extract blijkt hoe Arendt’s visie van de wereld breekt met de klassieke platonische idee over onze werkelijkheid als ondergeschikt aan een hogere ideeënwereld. Onze ervaring van de wereld is zonder meer waarachtig, en bepaalt de locus van Arendt’s denken. Deze tekst verheldert voor mij Arendt’s lezing Martin Heidegger is tachtig jaar. Zij omschrijft filosofische systemen hierin als gebouwen, als een woonplaats voor het denken. Heidegger woont niet in de context van de Umwelt die in dit extract beschreven wordt; zijn woonplaats is het denken zelf. Dit verduidelijkt voor mij eveneens hoe deze “beroepsmisvorming” als een excuus gezien kan worden voor zijn lidmaatschap van de NSDAP. De Umwelt wordt door Heidegger als onwaarachtig beschouwd: wat zij produceert zijn voor hem slechts ontische entiteiten die niet behoren tot de zaken zelf. Wat mij fascineert is de eenvoud waarmee Arendt komaf maakt met de ontologische logica van Parmenides en Plato. Plato’s dualistische kijk op de werkelijkheid wordt hier eigenlijk omgekeerd: ideeën zijn afhankelijk van het menselijke handelen en de oorspronkelijkheid van onze wereld i.p.v. omgekeerd.

Thales en het Thracische meisje

Referentie:


Van den Braembussche, Antoon, “De totalitaire verleiding. Hannah Arendt en de stilte van Heidegger”. In: Van den Braembussche, A. en Weyembergh, M. (red.) , Hannah Arendt. Vita activa versus vita contemplativa. Budel: Damon, 2002, p. 23-43.

Plaatskenmerk:

FILO 19.8 N-AREN BRAE 2002

Extract:


“In haar onvoltooid magnum opus The Life of the Mind verwijst Hannah Arendt naar de ‘geheel ernstige wijze’ waarop Plato, in zijn Theaetetus, bij monde van Socrates, vertelt hoe ooit een jong dienstmeisje uit Thracië in lachen uitbarstte wanneer zij Thales van Milete, die naarstig de sterren bestudeerde en hemelwaart tuurde, in een put zag vallen (Arendt, 1978a, One/ Thinking, 82). En Plato voegt eraan toe: ‘(...)zo’n vurige ijver om te weten wat er in de hemel omgaat en niet eens zien wat zich vlak aan zijn voeten bevindt!’. Hetzelfde geldt, aldus Plato, voor elke man die zijn leven aan de filosofie wijdt: ‘Hij kent inderdaad zijn naaste buurman niet, hij weet niet wat die doet, hij weet zelfs amper of die een mens is of een ander schepsel. Maar wat de mens is, door welke specifieke activiteit of passiviteit zulke natuur zich van de andere te onderscheiden: dat zoekt hij, dat wil hij uitmaken ten koste van inspanningen.’p. 85
(HEUR-STAP 3: een artikel gevonden via de UA-catalogus)

Commentaar:


Dit citaat van Plato over Thales en het Tracische dienstmeisje (in sommige versies is dit een slavin), beschrijft een fundamenteel conflict van de filosoof met de werkelijkheid en de reële maatschappij. Plato toont hier enige, zelfs supreme ironie t.o.v. de filosoof. De afwezige Thales en het lachende meisje symboliseren twee diametraal tegenovergestelde invalshoeken ten aanzien van de figuur van de wereldvreemde filosoof. Terwijl volgens Heidegger deze wereldvreemdheid tot de aard van de filosofie zélf behoort, sympathiseert Arendt met het lachende meisje en zoekt zij naar een filosofie die met beide voeten op de grond staat. De put waar Thales dreigt in te vallen, ziet Heidegger eerder als een symbool voor de “risicos van het vak”: het komt er net op aan de put niet te vermijden en zijn bodem te bereiken, enkel zo kunnen de fundamenten van ons bestaan worden blootgelegd. Deze verschillende wijsgerige grondhouding is specifiek kenmerkend voor Arendt en Heidegger. Arendt sluit de ervaring niet uit het domein van de verwondering, maar beschouwt de zeer concrete werkelijkheid en haar immanente structuur als het noodzakelijke onderwerp van haar filosofische studie. Dit heeft ver reikende implicaties m.b.t. het oordeel over deze wereld: in tegenstelling tot Arendt, heeft Heidegger er meestal het zwijgen toe gedaan wanneer het ging over de gruwelen van de nazi-terreur. Vergeten we echter niet dat Heidegger’s ‘avontuur van de geest’, dat hem leidde tot ‘die Sachen selbst’, Arendt levenslang heeft gefascineerd, en mee aan de grondslag ligt van de oorspronkelijkheid van haar denken.


Arendt en de levende ervaring

Referentie:

Arendt, Hannah, Tussen verleden en toekomst: vier oefeningen in politiek denken, Leuven: Garant, 1994, 175 p.

Plaatskenmerk:

PSW 32 G-AREN 94

Extract:

" Meer specifiek gaat het hier om oefeningen in politiek denken, zoals dit oprijst uit de actualiteit van politieke gebeurtenissen (ook al worden dergelijke gebeurtenissen slechts occasioneel vermeld), en ik ga ervan uit dat het denken oprijst uit voorvallen uit de levende ervaring en dat het met deze voorvallen ook voeling moet blijven houden : zij zijn de enige wegwijzers waarop het denken zich kan oriënteren."
p. 19-20 
(HEUR-STAP 4: een boek over het thema gevonden via diezelfde bibliografie)

Commentaar:

Dit citaat helpt mij te begrijpen waarom Arendt's conceptualisering van politiek zo zuiver is. Arendt vertrekt immers van de realiteit en plaatst de ontstaansplaats van het denken in onze zichtbare werkelijkheid: dit betekent een radicale breuk met het platonisme. Arendt's denken over het oordeel wordt gedreven door een grote daadkracht, omdat niet de reflecties over, maar enkel de gebeurtenissen zelf en hun immanente structuur het onderwerp zijn van haar studie. Arendt kon maar weinig waardering opbrengen voor ideeëngeschiedenis.

Karl Popper over Plato en de privileges van de heersende klasse

Referentie:


Popper, Karl, De open samenleving en haar vijanden, Nederlandse vertaling door Hessel Daalder en Steven Van Luchene, Rotterdam: Lemniscaat, 2007. 940 p.

Plaatskenmerk:


FILO 19.8 P-POPP 2007

Extract:


 “’Wat zijn dan volgens jou de echte [filosofen]? –Zij die begerig zijn naar het schouwspel van de waarheid’, lezen we in De staat. Maar zelf doet hij de waarheid enigzins geweld aan als hij dit zegt. Hij gelooft er niet echt in, want elders verklaart hij boudweg dat het een van de koninklijke privileges van de soeverein is om naar hartenlust gebruik te maken van leugens en bedrog. ‘Indien het dus iemand toekomt te liegen, dan zeker aan de leiders van de staat tegenover vijanden of medeburgers, met het oog op het welzijn van de staat: alle anderen moeten dat echter niet doen.’
‘Met het oog op het welzijn van de staat’, zegt Plato. Opnieuw zien we dat dit appel op het principe van het collectieve nut de ultieme ethische overweging is. De totalitaire ethiek overheerst alles, zelfs de definitie, de Idee, van de filosoof. Het behoeft nauwelijks betoog dat de onderdanen, op grond van hetzelfde beginsel van politiek opportunisme, verplicht zijn de waarheid te vertellen. ‘Als dan de heerser iemand in de stad op een leugen betrapt, [...] dan zal hij hem straffen als iemand die, in wat ik zou noemen het schip van staat, een handelswijze invoert die leidt tot omslaan en vergaan.’”
p.169
(HEUR-STAP 1: een gezaghebbend boek uit de bibliografie van een encyclopedie-artikel)

Commentaar:


Nemen we in achting dat Plato’s Ideale Staat gedacht moet worden als een utopie, en wij haar enkel totalitaire kenmerken kunnen toekennen vanuit een retrospectief standpunt. In vergelijking met Eric Brown is Popper heel wat minder mild tegenover Plato’s ideeën over de Ideale Staat. Popper vertrekt al van de vaststelling dat deze staat gekenmerkt wordt door een totalitaire structuur. Zo haalt hij aan dat de heersende klasse van de herders en de waakhonden strikt gescheiden moeten zijn van het menselijke vee, en beschrijft de scherpe voorwaarden voor wie deel kan uitmaken van deze heersende klasse. (“Heersers en hun waakhonden”: we hebben niet zoveel verbeelding nodig om te denken aan de privileges van de Gestapo.) De heersers hebben andere privileges dan het plebs, en mogen gebruik maken van leugens om de waarheid te verdedigen, terwijl zij leugens tegelijk legitiem mogen bestraffen. Popper spreekt dan ook over een “totalitair rechtvaardigheidsbegrip” bij Plato.
Popper gelooft wel in de oprechtheid van Plato’s zogenaamde totalitarisme, dat in dienst staat van een stabiele klassenheerschappij. Plato verlangde naar een onbetwistbare overheersing door één klasse over de rest, maar streefde (om zuiver utilitaristische redenen) níet naar een maximale uitbuiting van de werkende klasse door de heersende klasse.
Dit hele betoog dient echter een pleidooi voor een open, liberale samenleving. Kunnen we echter zomaar aannemen dat onze samenleving volledig vrij is van machtsstructuren die beantwoorden aan Plato’s idee van een Ideale Staat? Of dient Poppers’ pleidooi een heel andere motivatie, namelijk het aantonen van de goede intenties van een hedendaagse, zeer reële heersende klasse? Uiteraard zijn we in onze hedendaagse maatschappij, in tegenstelling tot de burgers onder het stalinisme, niet afgesneden van dialoog en pluraliteit. De hedendaagse heersende klasse vertelt echter ook leugens, bepaalt evenzeer wat wel en niet gezegd kan worden, ook vandaag zijn er “waakhonden” die ons handelen corrigeren, ook vandaag zijn er bestaande hiërarchiën  die bepalend zijn voor de maatschappelijke waarde van een individu.

Plato en het totalitarisme

Referentie:


Brown, Eric, “Plato Ethics and Politics in The Republic”, Stanford Encyclopedia, http://www.science.uva.nl/~seop/entries/plato-ethics-politics/#4.4 (geraadpleegd op 02.12.2009)

Plaatskenmerk:

plato.stanford.edu

Extract:


“In the Republic, the good of the city and the good of the individual are independently specifiable, and the citizens' own maximal good coincides with the maximal good of the city. Since Plato believes that this coincidence is realized only through propagandistic means in the ideal city, then the propaganda is paternalistically targeted at the citizens' own good but not exclusively at the citizens' own good. On this view, if the citizens do not see themselves as parts of the city serving the city, neither the city nor they will be maximally happy. […] Kallipolis has more clearly totalitarian features. First, totalitarian regimes concentrate political power in one bloc and offer the ruled no alternative. The ideal city of Plato's Republic is plainly totalitarian in this respect.”
(HEUR-STAP 3: een artikel gevonden via filosofie op internet)

Commentaar:


Dit artikel beschrijft de ethica van Plato in De staat. Het is bekend dat Plato’s ideeën en het neoplatonisme tot de dag vandaag ook minder frisse historische figuren en regimes ter verantwoording gediend hebben. Eric Brown onderzoekt in het hoofdstuk Totalitarianism of we sommige van Plato’s ideeën over een ideale staat als totalitair zouden kunnen interpreteren. Hoewel het verleidelijk is deze stelling te ondersteunen en Plato af te schilderen als een “rechts filosoof”, spreken er meer argumenten in het voordeel van Plato dan in zijn nadeel. Ten eerste kan men dit maar beweren vanuit een retrospectief standpunt: in de Oudheid was er geen sprake van totalitarisme. Het idee van de “koning filosoof” is de eerste “ideale staatsvorm” die door een filosoof geopperd werd. Uiteraard spreekt deze idee tegen de democratie en kunnen we deze (met een beetje goede wil) zelfs linken aan het hedendaagse duister populisme. In een democratie hoort de plaats van de macht zelf leeg te zijn: populisten zien deze liever bezet door de eenzijdige idee van “het volk”, Plato plaatst hier een “koning-filosoof”. Hij beschrijft echter een ideale, utopische staat die enkel in de wereld der ideeën kan bestaan. Daarnaast kunnen we ons de vraag stellen in welke mate een koning-filosoof werkelijk zou regeren. Dit kan immers enkel onder de voorwaarde dat het regeren om elf uur ‘s ochtends gedaan is zodat de rest van de dag besteed kan worden aan de studie der ideeën, en de bevolking zich ondertussen rustig houdt zodat de koning niet gestoord wordt tijdens zijn studie. Dit machtsconcept leunt echter eerder aan bij een tirannie, en steunt mogelijk op de verzuchting dat in zo’n staatsvorm het overbodige, dat eigen is aan onze werkelijkheid, makkelijk geëlimineerd zou kunnen worden om zo de burgers te leiden naar het Goede. Op geen enkel moment oppert Plato hier echter dat de tegenstanders van de Koning Filosoof planmatig geëlimineerd moeten worden. Socrates beweerde zelf dat de niet-filosofen tot de beslissing zouden moeten komen dat het aan de filosofen is om te regeren, aangezien zij het Goede het beste kennen. De niet-filosofen zouden hier ook van overtuigd moeten worden door de bijzondere deugd van de filosofen. Let wel dat Plato nu eens sprak over meerdere heersers en dan weer over één: toch zou deze niet zomaar de macht grijpen of een regime installeren, maar democratisch verkozen moeten worden.