Referentie:
Plato, The Republic, With an English Translation by Paul Shorey, Ph.D, LL.D, LITT. D., vol II, London : William Heinemann LTD, 1935Plaatskenmerk:
MAG OW-A 18775:2Extract:
“’Very good. We are agreed then, Glaucon, that the state which is to achieve the height of good government must have community of wives and children and all education, and also that the pursuits of men and women must be the same in peace and war, and that the rulers or kings over them are to be those who have approved themselves the best in both war and philosophy.’’We are agreed’, he said.”(dl. 1) p. 235, hfdst I BOOK VIII
“’And indeed,’ said he, “I am eager myself to hear what four forms of government you meant.’ ‘There will be no difficulty about that,’ said I. ‘For those I mean are precisely those that have names in common usage: that which the many praise, your Cretan and Spartan constitution; and the second in place and in honour, that which is called oligarchy, a constitution teeming with many ills, and its sequent counterpart and opponent, democracy; and then the noble tyranny surpassing them all; the fourth and final malady of a state. Can you mention any other type of government, I mean any other that constitutes a distinct species?”
(dl. 2) p. 239, hfdst I BOOK VIII
(HEUR-STAP 4: een boek gevonden via de bibliografie van een gezaghebbend artikel)
Commentaar:
Het eerste deel van dit extract toont Plato’s dubbelzinnige houding t.o.v. de figuur van de filosoof: hij moet zijn leven volledig wijden aan het schouwen, en heeft dus een wereldvreemde houding tegenover de werkelijkheid. Toch is hij het die het meest gekwalificeerd is om te heersen én om te beslissen over oorlog. Hoe moeten we figuur van de wereldvreemde filosoof en de handelende krijger verenigen? Plato ziet dit alles als deel van het denken: handelen bestaat voor Plato enkel in de zin van menselijke arbeid. We vinden echter geen antwoord op de vraag hoe de filosoof dit zou verwerkelijken, enkel dat hij voor deze taak het meest geschikt is.
Het tweede deel toont dat Karl Popper misschien toch bepaalde argumenten over het hoofd heeft gezien bij zijn oordeel over Plato. De tirannie wordt in dit fragment immers omschreven als een kwaal, de slechtste van de vier bestaande Griekse staatsvormen (de staatsvormen van de barbaren worden hier als vreemd verworpen). De democratie wordt hoger geacht dan het falende concept van de oligarchie. In deze zin doelt Plato met zijn Ideale Staat allesbehalve op een dictatuur. Toch valt het op dat hij de burgers van de Staat zag als invulbaar en corrigeerbaar, in die zin geloofde hij in een soort van sociale reconstructie. Plato stoort zich er aan dat er nog meer verschillende menselijke karakters met verschillende meningen bestaan dan er regeringsvormen zijn. In die karakters maakt hij ook een onderscheid tussen hogere en lagere types, en plaats hij aristocraten bovenaan deze ladder. In zekere zin ijvert Plato ervoor dat bepaalde klassen homogener zouden moeten zijn.
Toch mogen we voor we oordelen over deze associaties niet de context van de dialoog uit het oog verliezen: het gaat hier om een gesprek waarin hypotheses van een staat beredeneerd worden. Vanuit Plato’s puur denkende positie kunnen we geen van deze ideeën interpreteren als van toepassing op onze wereld. We zien hier wel de scherpe tegenstelling met Arendt’s idee dat de politiek onderdeel is van het handelen, een handelen dat zij bovendien onderscheidt, zowel van de poesis als van het arbeiden. Dit veronderstelt eveneens dat in de reële wereld denken en handelen samengaan en interageren, iets wat Plato net lijkt tegen te spreken. Hoe kunnen we echter spreken over het bestuur van een staat zonder een handelen dat voortkomt uit het denken, m.a.w.: als in het arbeiden weerspiegeld moet zijn wat het denken goed acht, waar is dan de brug tussen wetgeving en uitvoeren? Hoe kan de burger weten wat de heerser wil?